Joakim Garff, Søren Kierkegaard, A Biography.

Princeton University Press, 868 p., ISBN 0 691 09165 X, 35

 

(NB Verschijnt in 2016 in Nederlandse vertaling)


Søren Aabye Kierkegaard werd geboren in 1813, "dat inflatiejaar toen zo menig ander slecht bankbiljet in circulatie ging". Hij kreeg een eeuw later erkenning als grondlegger van het existentialisme. Duizenden boeken zijn over hem geschreven. Onlangs verscheen van de Deense historicus Joakim Garff een nieuwe biografie, de meest uitgebreide en kleurrijke tot dusverre. Op 11 november 2005 herdenkt Kopenhagen de honderdvijftigste sterfdag van haar grootste filosoof.


Dat sterven begon eind september 1855. Hij zakte op straat in elkaar, men haalde een rijtuig en bracht hem naar huis. Vier dagen later ging hij naar het ziekenhuis en vroeg opgenomen te worden. Als patiënt no. 2067 kreeg hij een particuliere kamer met elke dag schone lakens en een kabinet waar steeds verse thee werd klaargezet. Er stond ook een weegschaaltje, de patiënt kon daarmee zijn maaltijden wegen om te controleren of het verplegend personeel niets achterover had gedrukt. Kierkegaard was tevreden. Zijn kamer was op de belle étage, de eerste verdieping. Jaren eerder had hij die etage als een metafoor gebruikt: "Mensen kiezen ervoor in de kelder te wonen, in plaats van op de verdieping waar ze uitzicht hebben. Ze geven de voorkeur aan een leeg, zinnelijk leven in plaats van aan de vrijheid".


Hij raakte meer en meer verlamd. Verplegers moesten hem uit bed en in een stoel tillen. Kijk eens hoe ik gedragen word, als een engel op een wolk. Hij wilde maar enkele vrienden zien. Aan een jeugdvriend vertelde hij van zijn jeugdliefde, Regine Olsen, met wie hij veertien jaar eerder de verloving had verbroken. "Ik heb de doorn in mijn vlees, net als Paulus, daarom kon ik geen gewone relaties aangaan. Ik besloot daarom dat het mijn opdracht was buitengewoon te zijn. Ik was een speeltje van de Voorzienigheid".


Hij was op zijn sterfbed de meest vermaarde theoloog van zijn tijd, en ook de meest omstreden. Vooral in zijn latere jaren had hij de Deense staatskerk constant beschimpt. Hij wilde de laatste communie dan ook alleen maar ontvangen uit handen van een leek. "Onze geestelijken zijn beambten van de Kroon en hebben niets te maken met het christendom". Zijn polsslag liep almaar op, 100, 140, 160. Men diende hem elektrische schokken toe om zijn benen te activeren, hij merkte er nauwelijks iets van. Op 9 november raakte hij in een stupor. Hij sprak niet meer, at noch dronk, alle controle over zijn ontlasting was weg. Hij kon alleen nog maar met zijn ogen knipperen. Uiteindelijk stikte hij, op zondag 11 november om negen uur 's avonds. De artsen kon zijn doodsoorzaak niet vaststellen. Ze constateerden algehele verlamming. Een van de artsen schreef erbij: Tuberculose?


In zijn testament liet hij al zijn schamele aardse bezittingen na aan Regine. Niet zonder voorwaarden: verscheidene brieven waren in enveloppen gestopt met daarop "Na mijn dood opgeopend te verbranden" (dat deden de erflaters gelukkig niet). Zijn begrafenis was rumoerig. Op het kerkhof, boven zijn grafkist brak ruzie uit omdat de kerk daar een niet-geestelijke het spreken wilde verbieden. Het scheelde niet veel of de toegestroomde menigte, zo’n duizend mensen, was ter plekke in opstand gekomen.


Kierkegaard was de filosoof van waarover nooit eerder was gefilosofeerd: de angst, de wanhoop, de werkelijkheid en schijn van de erotische liefde, de schuld die vrijheid met zich meebrengt. In meer dan twintig boeken, soms drie in één jaar, riep het ene na het andere nieuwe beeld of idee op. Strakke filosofie interesseerde hem niet (hij verafschuwde het Systeem van Hegel), de rijkdom van de menselijke beleving des te meer. Vandaar dat hij een eeuw later de favoriete auteur werd van Martin Heidegger, Sartre, Kafka en van veel psychologen, nog meer dan van filosofen. Zijn interpretatie van de angst als "sympathiserende antipathie" is klassiek geworden. Volgens Kierkegaard komt angst, in tegenstelling tot vrees, voort uit iets waarnaar je verlangt. Angst is daarom onlosmakelijk verbonden met vrijheid. Voor Kierkegaard was de angst veel beter te omschrijven dan de liefde. Hij deed daarover nogal duistere uitspraken, zoals: "Alle ware liefde berust op het feit dat men elkaar in een derde bemint." Over de erotische aantrekkingskracht tussen man en vrouw schreef hij filosofische verhandelingen vol gecompliceerde romanfiguren die voortdurend "interessante" (een favoriet woord) situaties creëren, zonder tot de daad of het huwelijk te komen.

Maar dat de liefde hem nog meer dreef dan zijn angsten is voelbaar in al zijn werk, zowel in als tussen de woorden. Al zijn boeken lijken geschreven voor zijn gemankeerde verloofde Regine.


In 1838 sprak hij haar voor het eerst. Hij was 25, zij zestien en al een vermaarde Kopenhaagse schoonheid. Op 8 september 1840 deed hij haar een aanzoek. Ze was onthutst, maar stemde de volgende dag toe. Het verslag van zijn verloving schreef hij pas negen jaar daarna, in de Papieren van iemand die al dood is. Vanaf het begin was hij een rare verloofde. Hij zocht haar niet vaak op maar schreef wel elke woensdag brieven, soms met de aanhef "onze lieve Regine!" alsof ze al publiek bezit van de literatuur was. Hij stuurde haar een roos met een poëtisch briefje waarin hij van zichzelf zei "dat hij de wereld al de rug had toegekeerd". Op 11 november van dat jaar (nota bene zijn latere sterfdag) wachtte ze voor het eerst tevergeefs op haar woensdagbrief. De week daarna stuurde hij haar een zojuist gepubliceerde roman, Vergane herinneringen. Op een woensdag in december later schreef hij: "Ik zal u niet langer beproeven." Op een woensdag in augustus 1841, elf maanden na de verloving, stuurde hij de ring terug. Later volgden andere pijnlijke brieven. Zo stuurde hij haar een fles van haar favoriete eau de cologne, "als een roos ingepakt in bladeren die gelukkig maken". Die bladeren waren haar brieven aan hem.


De verbroken verloving was een schandaal, Kierkegaard vertrok ijlings naar Berlijn. Regine huwde later haar huisleraar en vertrok met hem naar de Deense West-Indische Eilanden. Ze overleefde Kierkegaard bijna vijftig jaar: ze overleed in 1904


In de boeken waarin hij, altijd achter verhullende pseudoniemen, naar de verloving verwees maakte hij duidelijk dat hij vreesde dat zijn karakter een huwelijk en zelfs het leven van Regine zou verwoesten. Hij wilde Regine troosten met de gedachte dat hij een schoft was. Het Dagboek van een verleider, meteen na de breuk geschreven, is een regelrechte poging zichzelf als een bedrieger te presenteren. In dat boek maakt de verleider Johannes het hof aan Cordelia (Regines zus heette Cornelia). Hij komt met cadeaus maar vervalt ook tot plotseling zwijgen. Hij wekt verwachtingen maar doet het volgende moment alsof er niets aan de hand is. Steeds zet Johannes in begeleidend commentaar uiteen hoe snood zijn opzet is. Hij zal Cordelia tot een toppunt van verwarring brengen, en daarmee tot de hoogste graad van erotisch verlangen. En op het cruciale moment, als ze zich totaal aan hem wil geven, zal hij het uitmaken. Het Dagboek moest Regine laten zien wat een gewetenloze schoft hij was. Maar toen hij Regine later een keer in de kerk zag, ze was toen al verloofd met een ander, draaide ze zich naar hem toe en knikte ze hem vriendelijk toe. Ze vergaf hem. Kierkegaards opzet was mislukt. Hij ging naar huis en stortte zich wanhopig in bed.


"Heel het bestaan beangstigt me, de platgebrande steden en smeulende ruïnes van mijn ijdel gebleken verwachtingen." Was Kierkegaard een geesteszieke? Van de populaire biografieën van Kierkegaard karakteriseert zeker driekwart hem als neurotisch, zo niet gestoord. Maar dat gaat voorbij aan het feit dat Kierkegaard donders goed wist wat hij ‘sublimeerde’. Hij schreef over zijn weggestopte liefde de ene na de andere prachtige passage. Hij vergeleek op cruciale momenten het geloof met de liefde tussen man en vrouw. Beide zijn namelijk alleen te begrijpen als een "sprong". Verliefdheid laat zich niet afmeten aan een paar eigenschappen, de schoonheid van je geliefde die zo’n indruk op je maakt is niet de optelsom van een mooie neus, gave tanden, lange benen en ogen als meren. Je wordt verliefd op haar hele zijn, haar hele lichaam. Net zo is het geloof: uiteindelijk onberedeneerbaar, uiteindelijk net zo’n vorm van overgave.


En is het neurotisch dat je je hele leven wijdt aan die ene liefde die je niet kreeg, die Kierkegaard zelfs afwees? Dante wijdde zijn werk aan de onbereikbare Beatrice, Petrarca aan Laura. Maar die twee vrouwen waren hoofse idealen, tot nabije erotiek kwam het niet. Kierkegaard daarentegen heeft zijn Regine omhelsd en gekust, haar maanden het hof gemaakt. Ze was de enige vrouw aan wie hij zijn hart kon verliezen. Toen hij besloot niet met haar te trouwen besefte hij tegelijkertijd dat hij nooit met iemand zou trouwen. Maar dat leidde niet tot een leven zonder liefde. Toen hij op zijn sterfbed lag en over Regine sprak, leek hij volgens zijn gespreksgenoten nog altijd even verliefd. En een nicht die hem in het ziekenhuis bezocht vertelde dat ze "nog nooit iemand zo van liefde had zien stralen, zo gelukkig had gezien".

 

De sleutel tot het raadsel Kierkegaard is misschien een klein boek uit 1849, De vertwijfeling, of de ziekte tot de dood. Het behandelt de verhouding die de mens heeft tot zijn "zelf". De grootste kwelling van de mensenziel is de wanhoop, de vertwijfeling, de verdwazing. Die is altijd verbonden aan het besef dat je een "zelf" bent. Je kunt vertwijfeld jezelf zijn of niet jezelf zijn, je kunt ook kunt niet-vertwijfeld jezelf zijn of niet jezelf zijn. Of in een andere formulering: een mens kan lijden aan de "wanhoop van de eindigheid en de oneindigheid" en de "wanhoop van de mogelijkheid en de noodzaak". Vertwijfeld in de eindigheid is het soort mens dat altijd leeft met de gedachte dat wat je ook doet de dood onherroepelijk is, dus uiteindelijk heeft niets zin. De verdwaasde van de oneindigheid ziet juist alles in het licht van de eeuwigheid, dus alles wat je doet komt ooit wel ergens goed. Voor de vertwijfelde van de mogelijkheid staat altijd alles open: hij fantaseert lustig hoe hij nog altijd dokter of astronaut of groot schrijver kan worden, of de liefde van zijn leven zal vinden. Degene die aan de wanhoop van de onmogelijkheid lijdt gaat er juist van uit dat alles bepaald, voorbestemd is. Die leeft zijn leven in het rotsvast geloof dat hij wezenlijk niets aan zijn lotsbestemming kan veranderen. Geen van deze typen mensen erkent dat hij een concreet individueel mens is, zegt Kierkegaard. Geen van deze mensen laat tot zich doordringen dat hij tegelijk vrij is en gebonden aan z’n aardse, tijdelijke, lichamelijke bestaan. ‘Het individu dat zich met zijn zelf durft te verstaan zal zwanger worden van zichzelf en zo zichzelf baren.’

Kierkegaard is nu vooral bekend van citaten, zoals: "Het leven wordt voorwaarts geleefd en achterwaarts begrepen". Zijn werk is virtuoos en onstuimig ("Ik ben het onkruid in de Deense literatuur"), maar ook intellectueel en te grillig.. Het wordt nog nauwelijks gelezen. Dat is jammer, want Joakim Garff laat opnieuw zien dat Kierkegaard een betoverend man is: een uitzonderlijk leven dat een uitzonderlijke filosofie voortbracht.



Daan Bronkhorst