Sören Kierkegaard


door Ds. A. W. M. Odé te Goes


Kerkblad van de Nederlands Hervormde Gemeenten in de Ring Goes

12, 19 september, 17 oktober 1953


Het is, dunkt me, van betekenis om, zij het dan in hoofdlijnen, eens nader kennis te maken met deze religieuze denker uit Denemarken, die met zijn zelfstandige geest grote invloed heeft geoefend op de gedachtenwereld van hen, die een critisch Christendom voorstaan.

Wèl mag het in een kerkblad niet gaan om een wetenschappelijke verhandeling, maar dat deze figuur, wiens naam telkens weer met ere genoemd wordt, wat meer voor ons gaat opleven, zal ons inzicht kunnen verrijken en ons geloof verdiepen.

De Denen hebben zijn nagedachtenis willen eren door een standbeeld in zijn geboortestad voor hem op te richten. Verschillende van zijn boeken zijn vertaald in onderscheiden landen en ook zijn in het Nederlands monografieën aan hem gewijd of bloemlezingen uit. zijn werken verschenen. Zo heb ik hier bij de hand: Een Nieuwe Keur uit zijn Werken, van Mevr. R. Chantepie de la Saussaye; Liefdedaden, een vertaling van Mevr. J. C. Maris-Franssen v. d. Putte; Perspectieven bij Kierkegaard, van Ds. A. F. L. van Dijk; een vlot geschreven Schets over zijn persoon en werk van Dr. Fetter en een Indruk van zijn Leven en Denken, van Prof. M. van Rhijn.

Laat mij in dit eerste artikel iets schrijven over zijn jeugd en levensgang, om daarna enkele denkbeelden van hem naar voren te brengen en te besluiten met enkele citaten uit zijn werken. Sören Kierkegaard dan is geboren in 1813 te Kopenhagen en reeds op 42-jarige leeftijd gestorven. Deze singuliere mens had een strenge, tot somberheid neigende vader, die wolhandelaar van beroep was. Deze liet zijn zoon in diens jeugd zijn schapen weiden; Mogelijk heeft het wijde Deense landschap perspectief gegeven aan zijn denken en de eenzaamheid de zelfstandigheid van zijn geest bevorderd. Kort voor de dood van zijn moeder, had zijn vader zich schuldig gemaakt aan ontrouw in het huwelijk, zodat deze zich genoodzaakt gevoelde, spoedig weer te trouwen. Sören wist zich langzamerhand uit dit milieu los te maken en ging zijn eigen weg. Aanvankelijk leidde hij een oppervlakkig leven in de grote stad, en bleek, begaafd als hij was, met zijn spitse geest een getapte figuur te zijn bij zijn vrienden, tot hij op 25-jarige leeftijd tot een andere levenshouding kwam. Hij trok zich meer terug, wilde boete doen, zette zich tot schrijven en leefde zeer ingetogen.

Een nieuwe teleurstelling volgde, welke een blijvend stempel zou zetten op zijn persoon en gedachtenwereld. Hij verloofde zich in 1840 met Regine Olsen, welke verloving echter in korte tijd verbroken werd. Op verzoek van zijn verloofde werd de band hersteld, maar zij moest tot haar smart ervaren, dat zij niet bij elkaar pasten. Zij was een vrolijk meisje, maar de zwaarmoedigheid van zijn vader speelde ook Sören parten, zodat hij van haar afzag, al beleed hij later, dat hij haar nimmer heeft kunnen vergeten. Hij meende nochtans dit offer te moeten brengen.

In zijn geschrift: "Het offer van Abraham", spelen gedachten door, die gerijpt zijn uit deze liefdesverhouding. Hij zegt daar o.a.: Die zichzelf liefheeft, wordt groot door zichzelf; hij, die andere mensen liefheeft, wordt groot door zijn toewijding, maar die God liefheeft, wordt groter dan allen. Ieder moet in de herinnering leven, maar ieder wordt groot in verhouding tot zijn verwachting. Eerwaardige vader Abraham, vergeef hem, die tot uw lot moet spreken, als hij het niet naar waarde kan. Nooit zal hij echter vergeten, dat gij in 130 jaar niet verder kwaamt dan tot het geloof.

Hij offerde Regine, omdat hij geloofde, dat hij haar toch niet gelukkig zou kunnen maken en ging voortaan zijn weg in zijn verwachting op God. Als een Einspänner en een zonderlinge figuur leidde hij voortaan zijn eenzaam bestaan en met zeldzame oorspronkelijkheid gaf hij in zijn boeken de vrije loop aan de stroom van zijn gedachten over liefde, lijden en geloof. Hij was vlot met de pen en verdiende veel geld met zijn geschriften, die niet gemakkelijk te lezen zijn, maar tintelden van zijn sprankelende geest en diepzinnige opmerkingen. Hij kon wel dagen en nachten schrijven. In elke kamer van zijn grote woning was pen en inkt aanwezig, zodat hij direct zijn invallende gedachten kon neerschrijven. Van de critiek der mensen trok hij zich weinig aan. Alleen armen en boeren werden gastvrij door hem ontvangen.

Evenals Socrates te Athene, hield hij op straat vaak deze en gene aan, gaf een enkele raad en opmerking ten beste, om dan even vlug weer te verdwijnen. Zo trachtte hij de mensen zelf tot nadenken te stemmen. Geloven is voor hem enkeling worden, alleen komen te staan en lijden. September 1855, zo vertelt Prof. v. Rhijn, zakte hij op straat in elkaar. Hij werd naar een ziekenhuis gebracht. Bloemen, die hij kreeg, mochten niet in het water staan. Zij bloeiden om te sterven. Zijn gehele leven was, naar eigen getuigenis, één onbegrijpelijk lijden geweest. Tegelijk verwonderde hij zich over Gods liefdevolle leiding, die het hem aan niets had laten ontbreken.

11 November 1855 ontsliep hij. Van zijn bezit was alleen nog wat geld overgebleven voor zijn begrafenis. Op zijn graf staat, in Hollandse vertaling uit het Deens: Nog maar een korte tijd en ik ben er. Dan is het met alle strijd uit. Ik zal dan in de hemelse weiden kunnen uitrusten en zonder ophouden naar Jezus zien.


II.

Wij hebben de vorige maal aandacht. gegeven aan de levensgang van Kierkegaard. Thans willen wij hem als persoon meer benaderen, opdat op grond van zijn getuigenissen, de mens en schrijver voor ons gaat leven en wij meer kijk krijgen op de achtergrond van zijn denkbeelden. Deze zijn voor hem geen bleke schimmen, maar bloedwarm uit het leven zelf gegroeid.

Kierkegaard is geen Hegelaar. Hij is de man, die bijzonder de nadruk heeft gelegd op de menselijke existentie, die met zijn volledige persoonlijkheid telkens opnieuw moet kiezen. Daarom speelde bij hem ook het ogenblik een voorname rol. We zullen hierover nog het een en ander nader horen. Het laat zich nu reeds verstaan, dat deze bewogen mens met zijn vonkende geest geen strak systematicus is en dat hij van een belijnd denksysteem niets hebben moet. Spottend kan hij hierover spreken. In dit verband zegt hij, dat de persoonlijkheid is het aristocratische - het systeem is een plebejische uitvinding. Met behulp van het systeem (die omnibus) kunnen allen mee.

Zijn stijl is door zijn fosforiserend brein rijk aan verrassende wendingen en nieuwe invallen. Ethische, aesthetische en zielkundige opmerkingen liggen weelderig gestrooid in zijn geschriften. Geen wonder, dat de vele tussenzinnen, die een invallende gedachte vertolken, zijn boeken moeilijk leesbaar maken.

De onrust zit hem in het bloed, of liever werkt door in zijn bedrijvige geest. Hij stelt haar als een vrucht van levend geloof. Hij zegt er zelf dit van: Evenals de visser, wanneer hij het net heeft uitgezet, beweging maakt in het water, om de vissen er heen te jagen en er des te meer te vangen, evenals de jager met de troep der drijvers het ganse terrein omspant en het wild dan samenstroomt naar de plek, waar het geschoten zal worden, evenzo vangt God, die bemind wil worden, met de hulp van onrust mensen.

Het Christendom is de meest intensief sterke, de grootst mogelijke onrust, er laat zich geen grotere denken, het wil (zo werkte ook Christus door zijn leven) het menselijk bestaan in zijn diepste grond verontrusten, alles uiteen doen springen, alles verbreken.

...... Maar hierin ligt het verschil met de visser en de jager; dat God geen onrust teweeg brengt, om er des temeer te vangen, niet terwille van het aantal, maar terwille van het intensieve, d.w.z. wanneer de grootst mogelijke onrust wordt aangebracht, kan er in een mens door spanning die intensiteit komen, die in werkelijkheid God kan liefhebben.

...... Als iemand Christen zal worden, moet er onrust zijn en als iemand Christen geworden is, blijft er onrust.

Ziehier zijn dynamische persoonlijkheid. Hij maakt het zichzelf dan ook niet gemakkelijk. Hij kan het verstaan, dat vele mensen uitgaan van de stelling, dat het gemak de mens dient. Hij wil er niet uit. de hoogte over spreken. Hij maant er zelfs toe, het aan te wenden, overal waar ge maar kunt, ten opzichte van alles, waarvan het onverschillig is, op welke wijze het bereikt wordt. Want ontegenzeggelijk is volgens hem de gemakkelijkste manier te verkiezen. Bijv. water is iets, dat op een moeilijke manier gehaald kan worden uit de pomp, maar dat ook op de gemakkelijke manier van de waterleiding kan verkregen worden. Natuurlijk verkiest men dan de gemakkelijke manier.

Maar - nu krijgt ge de wending - het eeuwige is niet zo iets waarvan het onverschillig is, op welke wijze het verkregen wordt. Neen, het eeuwige is eigenlijk niet "iets", maar het is de wijze, waarop het verkregen wordt. Het eeuwige kan slechts op één wijze verkregen worden - en wat slechts op één wijze kan verkregen worden is het eeuwige - en wel op de moeitevolle wijze der eeuwigheid, wat Christus aanduidt met de woorden: De weg is nauw en de poort is eng, die tot het leven leidt en weinigen zijn er, die dezelve vinden.

Het wordt zo meer duidelijk, dat deze geladen mens, geen goed woord over heeft voor het officiële Christendom. Met bittere ironie kan hij spreken over wat men gemaakt heeft van de H. Doop en het H. Avondmaal en niet minder moet de predikantenstand het bij hem ontgelden. De onbillijkheid en de overdrijving is alleen te verontschuldigen door zijn hartstocht voor het echte levende geloof van de enkeling en door zijn grote mate van zelfcritiek.

De "Christenheid", zo zegt hij bitter, is verzonken in een diepte van sofistiek, veel, veel erger dan toen de sofisten in Griekenland bloeiden. De legioenen dominees en christelijke docenten zijn allen sofisten, die hun onderhoud vinden - dit is volgens de oudheid het karakteristieke van de sofistiek - door hen, die niets begrijpen, zich iets te doen in beelden, terwijl hun aantal als bewijs moet dienen van hetgeen de waarheid van het Christendom is.

Van zichzelf durft hij echter ook niet te beweren, dat hij een Christen is, want dan kon het wel eens gebeuren, dat de Macht, die een Almacht is en die in het bijzonder zijn onmacht gebruikt, de hand ook van hem aftrok en hem aan zichzelf overliet. Hij acht het ook een misverstand, zelf te moeten zijn, wat hij kan bewijzen dat de anderen nièt zijn.

Vlijmscherp dankt hij de 1000 kanselarijraden voor de ontzettende schrijverij, die het hun gekost heeft, om op een goedkope en gemakkelijke wijze, voor Zijner majesteit onderdanen, ieder voor zich een eeuwige zaligheid klaar te maken. Hij acht het niet meer dan billijk - ofschoon gij het niet voor niets gedaan hebt, gij krijgt immers uw percenten - dat men u plechtig dank zegt. Hebt dank gij allen tesaam - als het nu maar zeker is, dat zij zalig worden - en het niet veeleer het geval is, dat een attest van de staat de slechtste aanbeveling is daarginds, waar er naar geoordeeld wordt of gij tot dat koninkrijk hebt behoord, hetgeen tot geen prijs een koninkrijk van deze wereld wil zijn.

Zó is Kierkegaard in zijn fel protest tegen al wat zweemt naar vormendienst en ook in zijn angst voor zichzelf en voor de innerlijke gebondenheid van het historisch overgeleverde Christendom als aan "de" waarheid; in zijn fijne gevoeligheid voor subjectieve waarachtigheid en in zijn brandend verlangen naar intensief leven.

Laat mij dit artikel, ter typering van zijn persoon, mogen besluiten met nog een enkel citaat, waarin hij God dankt voor wat Hij wilde zijn voor hem in zijn werkzaamheid als schrijver. Hierbij heb ik, zo verklaart hij, onafgebroken Gods bijstand nodig gehad, om mijn schrijvers-werk als een eenvoudige plicht te vervullen. Geef een mens maar zulk een mate van productiviteit en daarbij zulk een zwakke gezondheid, dan zal hij wel leren bidden. Menigmaal heb ik meer vreugde gehad van mijn verhouding van gehoorzaamheid aan God, dan van de gedachten die ik voortbracht. God was mijn enige vertrouwde en slechts in het vertrouwen, dat Hij alles wist, heb ik het durven wagen, wat Ik gewaagd heb en kunnen uithouden, wat ik uitgehouden heb en daarin mijn zaligheid gevonden, om in de letterlijke zin van het woord alléén te staan in de ganse wereld. Tegen deze achtergrond begrijpen we waarschijnlijk beter zijn denkbeelden, welke ik in een volgend artikel zou willen aanstippen, zonder de illusie te mogen koesteren, daarin enigermate volledig te zijn.


III.

Nu volgen enkele van zijn denkbeelden, welke zo pregnant mogelijk zullen worden weergegeven. Het zijn eigenlijk levende gedachten, omdat hij zich juist verre wil houden van allerlei abstracties.

Kierkegaard is de man van de paradox, d.i. van de schijnbare tegenstrijdigheid. Hij is zich bewust, dat zijn opvattingen meermalen (en juist moeten) indruisen tegen de gewone leer, maar dat zij geestelijk verantwoord zijn. Christus is voor hem de absolute paradox. Alleen in Christus raakt de eeuwigheid de tijd en kan God, de eeuwige, worden gevonden. Buiten Christus hebben tijd en eeuwigheid niets met elkaar te maken. Daarom is Christus de volstrekte paradox, de absolute enkeling.

God, in wezen de onbekende, is de grens waar het verstand op stuit. Hij, de Eeuwige, is volstrekt verschillend van de mens. Dit verschil wordt ook gevormd door onze schuld jegens Hem: dat is de zonde, de onwaarheid, waarin de mens door eigen schuld verkeert.

De mens, die gelooft, is de andere paradox met een kleine letter. Want de mens, die zich beweegt in de tijd, heeft met de eeuwigheid niet van doen. Eerst als hij in het geloof Christus aanneemt en deze beslissende keuze doet, treedt hij buiten de tijd en handelt dus paradoxaal, daar overigens tijd en eeuwigheid volstrekte tegenstellingen zijn.

Van de geschiedenis als terrein van de ontwikkeling der idee, van het onvolmaakte naar het volkomene (Hegel) of van de verwerkelijking van het Gods plan in de historie, wil Kierkegaard niets weten. Zelfs is voor hem de tegenwoordige tijd onvolmaakter dan de verleden tijd. Juist zijn wij in de voortgang der historie beland in voorstellingen, die het verleden hebben verduisterd.

Het geloof mag zich niet bezig houden met de feiten, maar wèl met het zijn. Het Godsbestaan is ook geen historisch, maar een eeuwig feit. Het historische feit als zodanig heeft het geloof niet nodig. De gehele inhoud van Jezus' leven en prediking is secondair bij de blikseminslag Gods in Hem, die gekomen en weer verdwenen is. De roep uit het Evangelie is, dat wij ons met heel onze persoon richten naar de Enkeling Christus.

Niet in het denken, maar in de wil ligt de kern van de mens. De wil bepaalt het karakter. In de wil ligt de breuk der continuïteit, de sprong, het irrationele. Niet door het verstandelijk denken, maar door de wil komt men tot het geloof. In het persoonlijke ligt de kern. Alles komt tenslotte aan op het subjectieve, het “voor mij”. De mens moet vinden, wat God wil, dat hij doen zal, een waarheid waarvoor hij kan leven en sterven. Als enkeling kan men God zoeken, want God zoekt men altijd alleen.

In diepste wezen is het geloof genade, d.i. God gebruikt de mens naar Zijn wil. Deze wil Gods houdt echter in: Ik heb deze mens nodig. Aan de genade mag daarom zeker niet het roepingsbesef van de mens ontbreken. De mens mag mede-arbeider Gods zijn. In een beeld tekent hij de verhouding van God en mens. Kleine Ludvig mag de wagen duwen, ofschoon dit zijn krachten ver te boven gaat. Daarom houdt moeder onzichtbaar de hand aan de wagen en doet het eigenlijke werk. Maar de kleine is verheugd en spant zich in, zo goed hij kan. Zo is er geen genade zonder navolging, evenals omgekeerd, geen navolging zonder genade. Kenmerkend voor Kierkegaard zijn ook de termen gelijktijdigheid, herhaling en het ogenblik. De tijdgenoten vacn Jezus zijn niet bevoorrecht boven de later levenden. Wel hebben zij zijn leven en sterven direct waargenomen, wat onmogelijk was voor het nageslacht. Maar deze waarneming krijgt pas betekenis, als men een beslissing neemt en deze aanvaardt. Geschiedenis heeft dus met een willen en geloven te maken. De waarheid van een feit ligt in het gewild en geloofd worden van het feit. Daarin verschilt de later levende niet van de tijdgenoot, zodat de onveranderlijkheid der geschiedenis zich in de gelijktijdigheid openbaart. De gelijktijdige ziet echter het oude niet terug, hoewel hij het oude wel met zich meedraagt. De herhaling is niet de herinnering, maar het nieuwe van wat geweest is. Het komt in het ogenblik van zijn keuze en aanvaarding levend voor hem te staan. Daarom is in het ogenblik alles opgenomen, zowel de geschiedenis als de gelijktijdigheid en de herhaling. Het ogenblik is dus niet wat tussen verleden en toekomst in ligt, niet een "nu", maar de volheid, waardoor het eeuwige tegenwoordig, praesens, wordt van het leven.

Zo verstaan wij ook beter, dat Kierkegaard van een kringloop in de tijd, van een cyclisch - evenmin als van een ontwikkelingsgang in de tijd, van een evolutionistisch - tijdsbegrip iets moet hebben. Hij legt de volle nadruk op het existentiële. De mens moet niet maar met zijn verstand, maar met zijn hele persoonlijkheid (existentie) feitelijk ieder ogenblik kiezen voor God, om niet verstrikt te raken in de tijd, maar om werkelijk in aanraking te komen met de Eeuwige.

Dit betekent voor de mens, die zo vast zit aan de wereld en leeft tussen de tijden: lijden.. Lijden is afsterven en vervreemden van deze wereld. De duur ervan, zegt Kierkegaard, maakt er het eigenlijk wezen van uit. Maar het moet tot het inwendige beperkt blijven en mag niet uitwendig tot uiting komen (de kloosterbeweging). Dit lijden hangt ook samen met gevoel van schuld. De ziel, zou als een vogel in de lucht, zich zorgeloos in Gods oneindigheden kunnen bewegen, als er geen schuld was. Wie voor God existeren wil, wijst de verzoeking van een “comparatief schuldgevoel” af. Angst, lijden en besef van voortdurende schuld zijn uitingen van existentiëel geloof.

Drie levenssferen onderscheidde Kierkegaard, waarin de mens zich kan bewegen: de aesthetische of die van het liefde-genot; de ethische of die van de liefde-plicht; de religieuze of die van het liefde-offer. Zij vormen geen climax, maar verschillen in wezen. Het aesthetische is het onmiddellijke in zijn meest verfijnde vormen, het ethische is het doen van het goede, gedreven door plicht, het humane standpunt, maar het religieuze is het irrationele, het geloven van het onmogelijke, boven het denken uit, welk geloof van ons het offer der liefde vraagt, zoals God eeuwige liefde is en in Christus dit offer heeft gebracht.

Diepe gedachten heeft hij neergeschreven over de liefde. In de plaats van de voorkeurliefde voor zijn liefde, Règina, heeft hij gesteld de plicht van de naastenliefde zonder onderscheid. In waarheid liefhebben is een ander mens helpen, om God lief te hebben. De echte liefde is niet romantisch of beschouwelijk, maar een daad. Daarom draagt een zijner boeken ook tot titel: "Liefdedaden".

Op zijn sterfbed heeft hij gezegd; dat zijn leven één onbegrijpelijk lijden geweest is, maar dat hij tegelijk voortdurend zich geleid wist door Gods grote Vaderliefde, die hem in zijn zwakke gezondheid bijzonder heeft gesterkt en wiens Geest hem bezielde, om een (levend) christen onder de (z.g.) christenheid te worden.

Geen wonder, dat bij het graf van deze mens, die zo het persoonlijk geloof, de beslissende keuze en de daad in het middelpunt van zijn leven gesteld heeft, gelezen werd de pericoop uit het derde hoofdstuk van de Openbaring van Johannes, gericht tegen de lauwheid der Laodicensen.