Kierkegaards Jezusbeeld


Interpretatie 2 (juni) 1994:8


Wim R. Scholtens,

kenner van Kierkegaard, levert een eerste, korte bijdrage over de manier van bijbellezen van deze Deen.


Over de christelijke kerk staat er niet veel in het Nieuwe Testament; des te meer over de gevestigde geestelijkheid en de schriftgeleerden: farizeeërs, leugenaars in lange kleren die van tempel een rovershol hebben gemaakt. Een van de redenen van de aanscherping van Kierkegaards toon in zijn publicaties na 1846 is, dat hij zich sindsdien steeds sterker bezighoudt met de historische Jezus. Er is méér dan de paradox Jezus Christus, ‘mens en God tegelijk’, zoals de orthodoxie terecht verkondigt. Rechtgelovig is Kierkegaard altijd geweest en conservatief in politieke zin zeker tot 1848. Wanneer hij in Wijsgerige Kruimels (1844) Christus de Godmens schetst als de paradox ‘par excellence’, spreekt hij daarmee volkomen in orthodoxe zin. Het enig nieuwe dat hij meent te brengen is een geheel nieuwe vlijmscherpe doordenking van het oude en door de vaderen overgeleverde. Dit in de richting van een verinnerlijkte, existentiële toe-eigening van de theologie en de bijbelvertolking zoals hij deze als student aan de Kopenhaagse Universiteit had meegekregen. Her Nieuwe Testament kende hij. Alle geleerde commentaren eveneens. En zijn geschriften getuigen van een grondige kennis van bijbel en theologie en van. een sublieme beheersing van Latijn, Grieks en Hebreeuws. Toch werd het Nieuwe Testament rond 1848 voor hem een geheel nieuw boek. Dat blijkt reeds wanneer hij in 1850 Oefening in het christendom publiceert; hij leest nu nietmeer (zo hij dat voordien al deed) met de bril die hem enige jaren eerder door de theologische faculteit op de neus was gezet. Hij leest nu zelf, zoals bijvoorbeeld blijkt uit een dagboeknotitie van 1850, ‘De zaak is heel simpel. Het Nieuwe Testament is heel gemakkelijk te verstaan. Maar wij mensen. doortrapt-speculerende gauwdieven die we zijn, wij doen net alsof we het niet begrijpen, want we beseffen wel dat indien het zo simpel is, wij er ook onmiddellijk naar moeten handelen, (…) Kijk en dan komt direct ‘de christelijke wetenschap’ in actie. Die prachtige uitvinding van het mensdom om zich tegen het Nieuwe Testament schrap te kunnen zetten. Want tot welke verschrikkelijke consequenties zou dit trotse en heerszuchtige boek mij niet kunnen opjagen -als ik mij ermee akkoord zou verklaren. Maar hoe anders staan de zaken als ik maar een concordantie ter hand neem, met een paar commentaren en drie vertalingen. (…) Ik sla het Nieuwe Testament op en lees: ‘Als je volmaakt wilt worden, verkoop al je goederen, geef alles aan de armen en volg Mij’ (1). Grote God, we waren verkocht, wij kapitalisten, zakenlui en renteniers, ja, heel de mensheid, behalve de bedelaars, -we waren verkocht als de wetenschap nier zou bestaan.’ (2). De historische verklaring van deze nieuwe leeswijze van Kierkegaard heeft alles te maken met de politieke roerselen in Europa rond 1848, het jaar waarin Marx zijn Communistisches Manifest publiceerde. Het is een direct gevolg van Kierkegaards toegespitste aandacht voor ‘het uiterlijke’, met zijn kritiek op de rol die de kerk speelt in dat politieke spel. Hij vermoedt reeds -wat hij later scherper uitspreekt- dat het de kerk te doen is om macht, macht die de lege huls is van haar vermeend gezag. Tot zijn schrik en verontrusting wordt hem duidelijk dat het christendom van het Nieuwe Testament méér inhoudt dan ‘verborgen innerlijkheid’, ook al had deze in zijn eigen werken nog kort voordien zoveel nadruk gekregen. Sterk accentueert hij nu dat de ‘Godmens’ Jezus Christus, God onder ons is in de gestalte van de lijdende medemens; hij ontdekt dat Jezus onophoudelijk in conflict stond met de gevestigde machten van de samenleving, met farizeeërs, Romeinen en schriftgeleerden die samenspanden om Hem uit de weg te ruimen. Hij ontdekt dat het christendom haaks op de wereld staat, niet als een toewending tot het menselijke zonder meer, maar historisch-concreet en altijd polemisch als een boodschap ‘aan lijdenden, armen, zieken, melaatsen, vertwijfelden en zondaars’ (3). Dit is Kierkegaards ontdekking rond 1848, Hij zal niets terugnemen van zijn eis tot stilte, verinnerlijking en meditatie en zelfs niet van gehoorzaamheid aan de gevestigde kerk. Wel is de boodschap er nu een van beslissende navolging


Scene op het laatste oordeel (4)


Onze Heer

Een theologieprofessor


Onze Heer: ‘Heb jij eerst het Rijk Gods gezocht?’

Professor: ‘Neen, dat kan ik niet zeggen. Maar ik weet wat Eerst het Rijk Gods zoeken is in zeven talen: 1) in het Deens, 2) in het Duits, 3) in het Frans, 4) in hetGrieks, 5) in het Hebreeuws, 6) in het Latijn, 7) in het Arabisch, 8) in het Syrisch, 9) in het Phoenicisch… Wat zeg ik? Dat zijn er negen: dus nog twee meer dan ik dacht’.

Onze Heer draait zich om,

terwijl de professor nog doorpraat: ‘Zo heb ik dus dag en nacht met de uiterste inspanning…‘

Hier onderbreekt hem de engel met de bazuin en geeft hem een klap om zijn oren dat hij miljoenen kilometers wegvliegt.

 

1)        Søren Kierkegaards papirer udgivne af P. A. Heiberg. V. Kuhr og E. Torsting. Kopenhagen 1909-1968.

2)        X 3 A 34

3)        X 2 A 27

4)        X 3 A 398