De filosoof en het sprookje

 

Filosofie 4 (2):40 - 41, 1994


Drs. Wim Scholtens


Nu de bezinning op taal weer allerwegen mode (of postmodern) is, is het welhaast een satire op de schrijvers zelf wanneer men gortdroge verhandelingen over Kierkegaard gepubliceerd ziet die bol staan van de ‘geleerdheid’, maar waarin elke fantasie volkomen zoek is.


Er zijn na Kierkegaards dood (1855) planken vol boeken met sprookjes, sagen en volksverhalen gevonden. Dat feit alleen al toont een boeiend aspect in Kierkegaards taalopvatting. Reeds als student maakte hij intensieve studies van de ontwikkeling van taal en bewustzijn in het kind, van het mythische, de verwondering en de functie en ontwikkeling van de fantasie. Naar zijn mening ligt de grote poëtische kracht van de volksliteratuur bovenal in de kracht van haar begeerte. De mens zou zich deze begeerte en haar heftigheid niet moeten laten ontfutselen door het zgn. ‘nuchtere verstand van al die kippendieven in onze tijd, die doodsbenauwd zijn vanwege hun hartstocht te worden uitgelachen of voor gek te worden verklaard’ (II A 75). De achtergrond van deze honger naar het sprookje ligt bij Kierkegaard deels in zijn behoefte om de gevolgen van zijn al te verstandelijke opvoeding alsnog ‘in te halen’; zulks in de overtuiging dat de oorspronkelijkheid van het kind door het rationalisme werd doodgedrukt. Tenslotte beantwoordde die hevige belangstelling voor kinderjaren en fantasie ook aan zijn behoefte om -als filosoof- op een menselijke wijze te kunnen schrijven. Geen auteur verstond zo als hij de kunst om moeilijke passages permanent af te wisselen met speelse illustraties of overgangen. Zo heeft hij zich tijdens het schrijven van filosofische verhandelingen steeds gelijktijdig verplicht om wat hij 's morgens geschreven had 's middags op straat ook aan simpele mensen duidelijk te maken. Omgekeerd waren die mensen, kinderen, dienstmeisjes en kelderbazen voor hem de onuitputtelijke bron van taalspel en taalinformatie: ‘Iets waarover je tevergeefs opheldering zoekt in boeken, dat

flitst plotseling op wanneer je het ene dienstmeisje met het andere hoort praten; een uitdrukking waarvoor men zijn hersens heeft gepijnigd en die men tevergeefs gezocht heeft in woordenboeken,die hoort men in het voorbijgaan uit de mond van een soldaat, die er geen flauw vermoeden van heeft welk een rijk man hij is...’ Zo kon het hem ook diep raken dat hij in het voorbijgaan twee kinderen aan elkaar een sprookje hoorde vertellen: ‘Wonderlijk, vanavond liep ik door de Westerpoort de stad uit; het was al donker. In een van de smalle laantjes kwam ik een paar jongetjes tegen. Ik bemerkte ze nauwelijks maar toen ze voorbijkwamen, hoorde ik de een aan de ander vertellen ‘... en toen kwamen ze bij een oude heks...’ Hetzelfde overkwam me in de avondschemering bij het Peblinge-meertje; daar waren het twee kleine meisjes waarvan de een tegen de ander zei: ‘... en toen zag hij een oud kasteel in de verte...’ Ik kan mij nauwelijks voorstellen dat zelfs de grootste dichter bij iemand zulk een effect kan bewerken als deze aangrijpende herinneringen aan het sprookje dat doen’ (VI A 125).


Volgens Kierkegaard speelt de fantasie een beslissende rol in de ontwikkeling van het zelfbewustzijn van het kind. Zonder fantasie leert een kind niet spelen met zijn eigen mogelijkheden; hij noemt het zelfs het vermogen instar omnium: ‘Wat voor een gevoel, kennis en wil een mens heeft, berust uiteindelijk op de vraag hoeveel fantasie hij heeft’ (XI 144). Zelf heeft Kierkegaard zijn fantasie nimmer kunnen ontladen omdat hem geen sprookjes werden verteld. Pas later werd die behoefte gecompenseerd toen hij intens ging lezen in de sprookjes en verhalen uit vele landen. Het lezen van sprookjes werd voor hem ‘een voortdurend bad van verfrissing’ waarin hij kon uitrusten en die ‘een even sterkend als weldoend effect’ op hem bleken te hebben (II A 207). In zijn werken geeft hij talloze voorbeelden die illustreren hoe een kind zichzelf met behulp van de fantasie aangenaam bezighoudt met de verkenning van zijn oneindige mogelijkheden: ‘Als je kind bent en geen speelgoed hebt, kom je toch niet tekort. Want de fantasie vult alles aan. Met vertedering denk ik nog altijd terug aan dat garenklosje van mijn kinderjaren, het enige speelgoed dat ik had, mijn lievelingsobject’ (V A 2).


Omdat elk mens niet alleen zichzelf is, maar ook een erfenis meedraagt van vorige generaties (o.a. in het sprookje), is een van de opvoedingdoelen dat het kind zijn eigen bestaan leert te verbinden met het voorgeslacht en dat het zich aldus van zijn erfenis bewust blijft. Ieder mens wordt geboren in een heel bepaalde context. En in uitwendige zin moet hij a.h.w. de ervaring van heel de vroegere geschiedenis ‘in verkort perspectief herhalen’. Toch moet ook ieder individu geheel opnieuw beginnen. Want er bestaat iets dat geen enkele generatie van de vorige kan leren, t.w. de subjectieve inzet, door Kierkegaard graag ‘de hartstocht voor het humane’ genoemd. Zo gezien moet toch iedere generatie geheel opnieuw en primitief beginnen (III 166). Antwoorden op de beslissende levensvragen kan men onmogelijk krijgen door het aangeleerde simpelweg over te nemen of door anderen na te apen. Mensen die zo zijn opgevoed worden nooit meer dan ‘een valse kopie’, die alleen maar ‘vergelijkenderwijs’ leeft; zij hebben ‘abortus op hun eigen primitiviteit’ gepleegd. Daarom vindt Kierkegaard het uiterst bedenkelijk dat ‘het grootste deel van de schooltijd {die zo nodig is tot bezinning op eigen originaliteit) besteed wordt aan het instampen van drie of vier talen’ (VIII 2 B 87, p. 172). Vooral bij kleine kinderen is het van het grootste belang dat men in het kind de drang tot ervaring en experiment tegemoetkomt, o.a. door het vertellen van sprookjes en sagen: ‘Het kind eist eenvoudigweg sprookjes en vraagt niet om bewijzen’. Niemand doet meer schade aan het kind dan de wijsneuzige schoolmeester die op de vraag van het kind: ‘Maar bestaan zeemeerminnen dan niet echt?’ onmiddellijk antwoordt: ‘Natuurlijk niet: dat beeldt het domme volk zich maar in!’ (II A 12, p. 9-19: geheel over de ‘Kunst at fortaelle Børn Historier).


Grethe Kjaer ‘Eventyrets Verden i Kierkegaards Forfatterskab’, C.A.Reitzel, Kobenhavn 1991. ISBN 87-7421-729-1,131 pag.