Kierkegaard en zijn moedertaal


Filosofie 4 (6): 4-5, 1994


Drs. Wim Scholtens


Het Deens kent twee woorden voor taal: het woord ‘Maal’ is het gesproken woord (parole) en ‘Sprog’ (langue) de taal zoals deze is vastgelegd in grammatica en woordenboeken. ‘Maal’ betekend ‘stem, spraak, het klinkende woord; het stamt van het oud Noorse ‘maela’, dat duidt op de volksbijeenkomst waar men bijeenkwam tot rechtsspraak, kortom tot op de oorsprong van de gesproken taal en op de wortels van de oudste verhalen en gezangen. In Kierkegaards term is dat ‘het erfgoed der vaderen’. In een bekende tekst, waarin hij heel de betekenis van zijn oeuvre samenvat, zegt hij dat hij eigenlijk niets nieuws brengt, maar dat hij ‘het oerschrift van alle individuele humane existentie-verhoudingen, het oude, bekende en door de vaderen overgeleverde nog eenmaal wil herlezen, zo mogelijk op een meer innerlijke wijze’ (XI 1 267 en VII 548). Onder oerschrift verstaat hij al datgene wat na analyse als het funderende overblijft. Het humane legt bij hem alle nadruk op een menselijke samenleving die nog droomt van een doel dat o.a. in taal, geschrift en religie, maar ook in de literatuur als overlevering van het oerbezit, in de concrete existentie-verhoudingen van ieder mens tot werkelijkheid geworden is. Dat duidt op een menselijke samenleving die -in tegenstelling tot het dierlijke gedragspatroon- gekenmerkt wordt door beslissingen op grond van inzicht in eigen mogelijkheden (d.w.z.. vrijheid). Met deze doelstelling kiest Kierkegaard reeds positie tegen al die taalfilosofie die de taal reduceert tot een optelsom van louter mededelingen waarin niets meer doorklinkt van stem, stemming, toekomstdroom of muzikaliteit van levende mensen.


De oorsprong van de taal

Voor Kierkegaard is de taal het leven zelf, een groeiend en veranderend wezen, met historische kracht en menselijke traditie. En ‘die taal is een gave die iedere mens gratis heeft meegekregen’ (VII 334). Taal begint niet -zoals bij Hegel- met een ‘Ur-Nichts’ waardoor de mens zelf schepper zou zijn. Het onmiddellijk-actuele spreken komt niet voort uit het ‘niets’ maar het krijgt zijn impulsen uit het diepe verleden van ‘het erfgoed der vaderen’. En door deze verbondenheid met zijn eigen wortels wordt het individu -door de taal- verlost uit zijn isolement en zijn eenzelvigheid. De wezenlijke functie van de taal is: de medemens te stimuleren tot het goede, hem/haar te helpen zichzelf te worden. Louter mededeling van weten is -naar Kierkegaards mening- de naam van communicatie niet eens waardig. Het mededelen van weten lijkt op het doorgeven van fossielen (woorden als stelling, thesis, positie, duiden reeds op dat statische). Moedertaal (Modersmaal) daarentegen is leven, beweging, dynamiek, die steeds een wisselspel veronderstellen. Taal die alleen maar bewering is, is naar Kierkegaards idee eo ipso onwaar.


Dialectische lyriek

Kierkegaards eigen taalgebruik laat zien wat er in de taal leeft en beweegt en hoe hij voortdurend anderen tracht te bewegen. Van heel zijn oeuvre geldt wat hij zelf zegt van ‘Vrees en Beven’ in de ondertitel: het is ‘dialectische lyriek’: evenveel pathos als logica en omgekeerd. Zijn taal geeft geen ‘diepvries’ door, maar is er tegelijk lyrisch steeds op uit om het belangrijkste te bereiken, t.w. zijn lezer te motiveren en diens hartstocht in beweging te zetten, zodat de medemens zich van zijn/haar krachten bewust wordt. Dit is overigens -zo geeft hij toe wel ‘de moeilijkste kunst die er bestaat’ (VII 220). Taal is niet zozeer communicatie van wéten alswel van kunnen. Dat blijkt reeds in de literatuur van Kierkegaards voorkeur: de IJslandse saga, sprookjes, parabels uit een ver verleden, Shakespeare en de Bijbel. Maar evenzeer uit de sprankelende originaliteit die hij zo bewonderde in de fameuze dienstmeisjes (Tjenestepiger) van Kopenhagen. Lyrisch laat hij zich daarover uit in het slot van ‘Stadia op de levensweg’ (S.V. VI van 1845): ‘Iets waarover men tevergeefs opheldering heeft gezocht in boeken, daarover gaat plotseling een licht op als men het ene dienstmeisje hoort praten met het andere: een uitdrukking waarover men tevergeefs zijn hersens heeft gepijnigd, die men tevergeefs heeft gezocht in woordenboeken: die hoort men en passant. Enige mijner landgenoten menen dat onze moedertaal (Modersmaal) eigenlijk niet in staat is moeilijke gedachten uit te drukken. Dit komt mij voor als een zonderlinge en ondankbare mening’ (VI 45). Met een zeker sarcasme over het mode-jargon van de filosofen van zijn dagen beweert Kierkegaard dat zij bewijzen helemaal niet te kunnen denken, als zij niet denken in hun moedertaal. Dag in dag uit zwierf Kierkegaard (juist tijdens het schrijven van zijn meest filosofische werken) in de binnenstad van Kopenhagen, zijn oren gespitst in de gesprekken met kinderen, sjouwers, kelderknechten, China-kapiteins en dienstmeisjes. Iedereen kende hem en hij kende allen. En al deze ‘toevallige’ ontmoetingen waren, ook op het menselijk vlak, van een intensiteit die haar weerga niet heeft in de literatuur. Daar, op straten, pleinen en in kroegen, ‘beweegt men zich in de volkse menigte, nu eens getuige van deze, dan weer van die gemoedsbeweging; men leert en leert en wordt alsmaar leergieriger. Op die manier laat men zich niet door boeken bedriegen, als zou het menselijke maar zelden te vinden zijn. Het beste van de uitspraak, het meest charmante ervan, het treffendste psycho- logische trekje: alles blijft alleen in de moedertaal bewaard’ (VI 454). Met een duidelijke prik in de richting van de arrogantie van de hegeliaanse taaltheorie die beweerde ‘mit dem Nichts anzufangen’, vervolgt hij zijn ontboezemingen: ‘Ik voel mij gelukkig dat ik gebonden ben aan mijn moedertaal, zoals Adam het was aan Eva, omdat er geen andere vrouw was, gebonden omdat het mij onmogelijk is geweest een andere taal te leren. Ik voel me ook blij gebonden te zijn aan een moedertaal, die zo rijk is aan innerlijke oorspronkelijkheid, wanneer zij de ziel verruimt, wellustig oorstrelend met haar zoete klanken; een moedertaal die zich niet verstrikt in moeilijke gedachten of die kreunt en steunt, een moedertaal die niet hijgt en geforceerd klinkt, wanneer ze voor het onuitsprekelijke staat; een taal die niet ver weg zoekt wat dichtbij ligt of die in duistere diepten vindt wat gewoon voor de hand ligt; een taal die heftig en bewogen is wanneer de ware minnaar haar vrouwelijke hartstocht mannelijk weet te wekken ...’ (VI 455).


Taal als gave en opdracht

De belangrijkste passage over de functie van de taal staat in het slotgedeelte van ‘Het begrip angst’ (IV 387 vv). Kierkegaard behandelt hier de taal als expressie van vrijheid en als communicatie van het geloof. Uit deze context is duidelijk dat Kierkegaard geen taalfilosofie heeft in de meer strikte zin van het woord: zijn geloof dat de mens een schepsel is en God als ‘Woord’ geïncarneerd, wordt steeds verondersteld. Zijn goede gewoonte getrouw begint hij hier zijn analyses niet met vrijheid, maar met het negatieve tegendeel: onmacht of onwil tot communicatie van de mens met zichzelf, met God en met de medemens. Hij noemt deze onmacht tot communicatie ‘det Indesluttede’ of ‘det Demoniske’. Deze laatste term heeft geen religieuze, maar primair een psychopathologische zin van onmacht tot vrijheid van expressie. Ter illustratie hiervan gebruikt hij het beeld van een huiselijk kinderspel, waarbij twee kinderen zich in de overjas van vader verstoppen: de een spreekt terwijl de ander daarbij grillig gesticuleert. Dit spel symboliseert de dubbelzinnige gespletenheid als stoornis van integrale expressie van de ‘geschifte’ mens. Veel mensen zijn zelf die tragikomische gespletenheid tussen wat zij zeggen en wat zij doen. Zij zijn als die twee kinderen in één overjas. Dat geldt, zeer algemeen, reeds van alle praatzuchtige kletskousen. In een veel pathologischer vorm (‘det Demoniske’) slaat dit manco aan ‘heel-heid’ om in verstomming. Daar is geen enkele integratie tussen buiten en binnen, tussen denken (c.q.spreken) en doen. Uiteindelijk is dat: angst voor eigen vrijheid, voor heil en verlossing. Zo komt de mens in de situatie waarin hij beklemd raakt in de sinistere logica, dat hij óók weet waarom hij onvrij en beklemd raakt, met als gevolg dat hij dichtklapt (IV 391 ). Dit verlangen naar vrijheid zit zo diep in de mens dat de beklemd-stomme, ondanks zichzelf, ook spreekt als hij niet spreekt en zich verschuilt achter zijn verstomming. Daarom zegt Kierkegaard: ‘Vrijheid is altijd communicatie; onvrijheid sluit zichzelf steeds dieper op en wenst geen communicatie. Toch verraadt (aabenbarer) de beklemde ongewild zijn diepste behoefte aan integratie’ (IV 391 ). Door de taal (Sproget) en het gesproken woord (Ordet) kan de mens ontsnappen uit de lege abstractie van het demonische. En de wet van het bespreekbaar-worden (Aabenbarelse) van het demonische is deze: dat hij/zij zichzelf ter sprake durft te brengen. Hiervoor bestaat in het Deens een uitdrukking die zeer veelzeggend is als men van iemand zegt dat ‘hij niet met zijn woord voor de dag wil komen’ (Han vil ikke rykke ud med Sproget). In het Deens lopen hier twee betekenissen door elkaar, t.w. een actief ‘tevoorschijn-komen’, maar ook een intransitief’ aan het licht te worden gebracht.’ In de taal ligt namelijk de communicatie van de mens allereerst met zichzelf en zo met God en medemens. De eerste reactie van de beklemde mens is er steeds een van verweer: vgl.het woord van een bezetene tot Jezus: ‘Wat heb ik met U te maken?’(Marc.5 e.a.). Precies uit deze reactie blijkt dat de onvrijheid bestaat in de angst voor het goede, angst voor eigen bevrijding.


Loquor, ergo sum

In één uitdrukking samengevat stelt Kierkegaard hier vast dat het wezen van taal en spreken gelegen is in de communicatie die een ander helpt zichzelf te worden. Taal is een dialogische bepaling van de geest of van het diepere zelf; zelfs de monoloog is reeds dialoog, een gesprek van het ik met zijn diepere grond. Vanaf het eerste begin bevat de definitie van mens-zijn bij Kierkegaard ook het begrip communicatie (c.q. taal). Geest of zelf of mens-zijn worden door Kierkegaard van het begin af van-God-uit verstaan. Wie deze hypothese niet met hem aanvaardt (ook al kan men hem in nog zoveel nuances volgen) bezondigt zich toch aan een vorm van amputatie. Veel hedendaagse taalfilosofie volgt hem wel in zijn opvatting van taal als communicatie. Maar men haakt beschaamd af zogauw duidelijk wordt dat het hem uiteindelijk om communicatie met de Schepper gaat. Taal (en heel het bestaan) is geen creatio ex nihilo van de autonome mens; want de mens is schepsel en geen Schepper . ‘Loquor ergo sum’ betekent voor hem dat hij zich door God geroepen of aangesproken weet; dat is meer dan het cartesiaanse ‘Cogito ergo sum’. Het ‘ego’ van de mens blijkt structureel immer reeds een ‘wij’ te zijn.


Wetend dat hij hier als gelovige filosofeert, wenst hij zijn visie op de taal niet op te dringen aan een ander: ‘Wie iets beters weet moet maar kiezen. Maar men dient hier wel voorzichtig te zijn, anders haalt men alles door elkaar’(IV 400). Wel meent Kierkegaard dat hij vollediger recht doet aan de verschijnselen (vooral de pathologische van de verstomming als een ‘zelfgekozen onvrijheid’).

 

Kierkegaard, Soren: Samlede Vaerker, udgivet af A.B. Drachmann, J.L. Heiberg og H.O. Lange, I-XIV, Kopenhagen, 1901- 1906 (1e editie)