Kierkegaard over ‘aethervervuiling’


Filosofie 4 (6):12, 1994


Wim Scholtens


Nog op dezelfde dag dat Sinterklaas zijn hielen heeft gelicht, stort zich in onze winkelcentra een nieuwe golf van kakofonie over ons uit: ‘Stille Nacht’ of ‘Holy Night’ wordt uitgebraakt over de consument vanuit de geluidsboxen van de nijvere middenstand.

Filosofen die zich bezighouden met dat fenomeen van ‘eathervervuiling’ zijn nog relatief zeldzaam. Dit verlangen naar het ‘alternatief’ van rust, stilte en een menselijk levensritme, is niet vandaag. Reeds lang voordat er sprake was van de huidige omvang van de ‘media’ schreef Søren Kierkegaard (1813-1855) daarover in zijn werken en dagboeken. Toen ‘Stille Nacht’ nog niet eens gecomponeerd was, voorzag hij reeds profetisch die hedendaagse radioterreur. Zo blijkt althans uit de volgende notitie van 1848:


‘Net als publiek een loutere abstractie wordt, zo zal het ook het menselijke spreken vergaan. Straks is er niemand meer die spreekt, maar schift een objectief gebazel atmosferische dampen af, een abstract geluid dat elk menselijk spreken overbodig maakt, zoals machines de arbeider overbodig zullen maken’ (VIII 97 - 1846).


Elders zegt hij nog te hopen dat er spoedig uitvinders zullen komen die -‘om geleuter en dergelijke tegen te gaan- ‘rookverterende machines’ (‘røgfortaerende Maskiner’) zullen construeren’ (X 3 A 723). Dit is niet minder dan een ondubbelzinnige profetie (uit 1850) van wat wij heden ‘aethervervuiling’ noemen.


Waar het Kerstmis betreft, schrijft Kierkegaard verder:

Zolang men kind is, heeft men genoeg fantasie om zijn ziel op het hoogtepunt van de verwachting te houden. Behoort men tot de ouderen, dan heeft men al genoeg van de Kerstboom voordat men hem te zien krijgt. Ik vind het een onverklaarbare vorm van geesteloosheid, als men ziet hoe mensen, op datum en klokslag, opeens heel bepaalde religieuze gevoelens kunnen hebben: met Kerstmis zwelgt men van zaligheid, zonder ook maar één moment aan Goede Vrijdag te denken; en op Goede Vrijdag is men diep bedroefd, zonder ook maar iets anders te voelen. Dat is het beste bewijs voor het feit dat het religieuze tot iets totaal uitwendigs is ontaard. Kerstmis, zoals het tegenwoordig wordt gevierd, is louter heidendom, pure mythologie: een klein kindje op moeders schoot schijnt hét verlossende te zijn en de ernst van het leven is: kinderen te krijgen. Dat Jezus uit een maagd geboren is, betekent iets geheel anders: dat is een beeld van de gééstelijke definitie van mens-zijn. Dat is iets anders dan dat sentimentele geklets over opnieuw-kind-worden, dansen rond de Kerstboom, spelletjes doen en pepernoten eten (IX A 472). In de vorm waarin het nu bestaat is het Kerstfeest eigenlijk ketterij. Het was een troost voor me te ontdekken dat het Kerstfeest pas uit de derde of vierde eeuw stamt en destijds ook nog: als surrogaat voor een heidens feest’ (IX A 460).