Kierkegaard en de gewone man


Jeugd en cultuur, maandblad voor de studerende 18:11-15, 1972 - 1973


W. R. Scholtens


Taal en werkelijkheid

Filosofen spraken tot voor kort de taal van de geleerde kaste. Net als de theologen betrapten zij zich, in de omwentelingen van ons leven en denken tussen 1918 en 1945, op het bedenkelijke feit dat hun taalgebruik in wezen fossielenhandel was. Dit betekent de erkenning dat hun uitspraken omtrent de werkelijkheid (waarmee de wijsgeer beweerde zich bezig te houden) niet veel meer met die werkelijkheid te maken hadden. De existentialistische filosoof, met zijn herwonnen respect voor de werkelijkheid, kreeg daarom opnieuw het signatuur van de dichter. Paragrafen en systemen weken aldus voor een eerlijk stamelen om de werkelijkheid opnieuw op geloofwaardige wijze onder woorden te krijgen. En de terugkeer tot het leven kreeg nieuwe wijsgerige expressie, nu in roman- en theatervormen. Men constateert eenzelfde evolutie in de liturgie, die ook tot diepvries was ontaard en die thans haar nieuwe vormen weer zoekt in het evocatieve van spel en verwondering, waaruit zij eertijds voortgekomen was. Aan het begin van die hedendaagse zorg omtrent levende taal en het verstaan van het verstaan (de zgn. hermeneutiek), staat de bonte vogel Søren Kierkegaard, die -honderd jaar voor deze ontwikkeling- dit alles heeft zien aankomen. Kierkegaard leefde te Kopenhagen van 1813 tot 1855. Na een dramatisch verbroken verloving in 1841, leefde hij als ongehuwd zonderling, zijn tijd verdoende met het schrijven van vreemdsoortige boeken die weinigen begrepen. Na een felle aanval op de verkalking van de Staatskerk, stierf hij op tweeënveertigjarige leeftijd. Pas het existentialisme ontdekte hem opnieuw, als de ironische ontmaskeraar van de leugen van het “mauvaise foi” der gevestigde orde van Staat en Kerk. Reeds Kierkegaards kritiek op zijn tijdgenoot, de beeldhouwer Thorwaldsen, met zijn gladde en kil-klassicistische perfectie die eerder aan een lijk dan aan een levende doet denken -is in wezen dezelfde als die aan het adres van de systeemfilosoof Hegel, hoewel het respect van Kierkegaard voor Hegel even groot was als hij diens typisch-Duitse “Systematisierlust” verachtte.


The man in the street

Zoals Henry Moore als beeldhouwer de oertaal van zijn metier opnieuw beluisterde in keien en schelpen, zo lagen voor Kierkegaard de bronnen der wijsbegeerte (het gesprek met de werkelijkheid, dus) op de straat. Met zijn briljante fantasie en zijn dichterschap, gepaard aan een vlijmscherpe intelligentie, nam Kierkegaard zich voor dé werkelijkheid op spoor te komen tijdens zijn beroemde dagelijkse wandelingen op straat in Kopenhagen, waar iedereen hem kende en hij iedereen aansprak, als een tweede Socrates. Zo werd alles wat hij, eventueel ook strak-logisch, achter zijn schrijftafel voor zichzelf beschreef, onophoudelijk vooraf en nadien geverifieerd in zijn gesprekken met kinderen, bejaarden, visvrouwen, matrozen, dienstmeisjes en de rosse figuren uit het lichte kwartier van de Nyhavn. Geen wonder dat ook zijn invloed op Ibsen, Strindberg en Selma Lagerlöf enorm is geweest. Elke dag dwingt hij zich om de vaktaal van het geleerde, terug te buigen naar het sappige Deens van het gewone volk; een immer actueel voorbeeld, ook voor de theologen. Als hij zich bijv. weer eens ergert aan de zwevende abstractie der Duitse filosofen, houdt hij op straat een dienstmeisje aan en zegt : “Ik wou wat kleren laten persen en kwam langs een winkel met een bordje in de etalage: “Hier perst men kleren op”. Welnu, ik naar binnen maar de juffrouw zei: “We persen hier helemaal geen kleren op”. Wat was het geval? Het was een winkel in tweedehands-artikelen. En daar lag toevallig ook een bordje te koop met het opschrift: “Hier perst men kleren op””. Hij zal de jongedame wel niet hebben verteld dat hij in feite de filosofen en theologen van zijn tijd op de korrel had; maar hij had weer eens voldaan aan zijn dagelijkse opdracht om het boekendeens in het straatdeens te vertalen. Twintig dagboeken oogst waren bij zijn dood het resultaat van dit dagelijks “mensenbad” zoals hij het noemde.


Het geniale en het gewone, vice versa

Een stelling die diep het denken van Kierkegaard over de mens en zijn werkelijkheid bepaalt, is de zekerheid dat individu en mensheid omkeerbare termen zijn. Dat was niet nieuw: “Ab uno disce omnia”, zeiden de Ouden al. En dat dit ene individu, dat eventueel omtrent velen inzicht geeft, van bijzondere dimensies moet zijn, behoeft geen betoog: de Bijbel, het sprookje en Shakespeare, hielden voor Kierkegaard al bijna alles in. En degene die besluit zich met Kierkegaard bezig te houden, boft ook in dit opzicht: zijn geestelijke omvang is, zowel door geboorte (het geniale, d.i. “meegeborene”) als door milieu (het situatieve), van een onuitputtelijke rijkdom. Zulks garandeert telkens, dat alles wat hij zegt omtrent zichzelf en eigen ervaring, tevens een uitspraak is omtrent een “elckerlyc”, aangaande Adam en Eva, die wij allen zijn. En eveneens dat evolutie en structuur van déze enkeling niet weinig openbaren omtrent de mensheid als geheel. In die zin was reeds Kierkegaard de Teilhard de Chardin der westerse spiritualiteit, met wie hij gemeen heeft, dat ook deze fransman het leven in het dood-fossiele wist te beluisteren om van daar uit iets over onszelf en de toekomst te kunnen zeggen. Want de zin van het leven (ofwel: de toekomst daarvan) openbaart zich slechts door achteruit te zien en vandaar naar het heden terug te keren: in onze taal: men berijdt een weg pas veilig dank zij het achteruitkijk-spiegeltje. Zulke genieën zien gewoonlijk ver vooruit: “Ik zal pas lang na mijn dood begrepen worden, als enkele politici het lukt om naamloze massa’s in soldatenlaarzen te dwingen en Europa bloedig crepeert in de gevolgen van nationalisme en de gevolgen der massa-produktie”. De prijs voor het geniale is de pijnlijke botsing op de bekrompenheid van de massa der gezeten burgers, de aanbidders van “gezond verstand” en “law and order”, wie het niet gegeven is een dergelijke wijdte van blik te bezitten. “Was Paulus getrouwd? Had hij kinderen? Was Paulus ambtenaar? Verdiende hij zijn kost? Neen? Maar dan kun je zo’n man toch zeker niet serieus nemen!” Dit onbegrip heeft ook Kierkegaard op pijnlijke wijze ondervonden.


De oorsprong van het klootjesvolk

Eind 1845 beging Kierkegaard de onvoorzichtigheid op te merken dat hij in een berucht satirisch spotblad “De Korsaar” toch ook zo graag eens een beurt zou willen hebben. Die kreeg hij. Op anonieme wijze werd hij een jaarlang met tekst en karikatuur kompleet belachelijk gemaakt. Dit zonderde hem, noodgedwongen, af van zijn liefste gezelschap “the man in the street”. Dit conflict opende hem de ogen voor het gevaar van invloed en terreur der publieke opinie, gemanipuleerd door gemechaniseerde berichtgeving. Scherp voorzag hij, ook in politiek en kerkelijk opzicht, hoe de gewone man in Europa (in die tijd nog zelfbewust persoonlijkheid) in de toekomst zou ontaarden tot een gedirigeerde massa, waarin het “ideaal” van elk (zowel uit angst als jaloezie) zal gaan worden: zich in geen geval van anderen te onderscheiden. Hun kenmerk zal de verveling zijn, melancholisch-onbewust atheïsme en doodsangst voor stilte, eenzaamheid, originaliteit en de verbanning van de dood uit het bewustzijn. Ook voorziet hij al scherp de politieke gevolgen: “Na elke kabinetscrisis begint men onmiddellijk weer te formeren, net als het vorige kabinet. Maar nu doet men iets minder voor kroegbazen, iets meer voor kaarsengieters, men neemt iets af van de grootgrondbezitters en doet er weer wat bij voor het proletariaat. Maar intussen wordt het volk bij al die kabinetswisselingen steeds onrustiger, en het slaat als een dronken kerel die niets meer krijgt, steeds ruwer en heftiger om zich heen..." Politiek gezien was Kierkegaard inderdaad vrij conservatief. Maar wie de juist geciteerde tekst daartoe als illustratie hanteert, vergist zich toch weer. Zoals het hem kerkelijk met zijn kritiek niet om Rome of Reformatie gaat, zo is hij ook niet links óf rechts, omdat hij veel te profetisch de heilloze gevolgen van de polarisatie ziet die zal uitlopen op totale onregeerbaarheid, tenzij... die (op zich zo heilzame) spanning, in de wortel gedragen wordt door een onschokbaar bewustzijn van de heilige persoonskern van ieder mensenkind. Het is -bovenal- dit laatste dat hem diep verontrust in de westerse samenleving, wier massaliteit en technocratie bezig is “abortus te plegen op iedere originaliteit”. Daar ligt de kern van zijn zorg, het profetische van zijn blik en de verbijsterende actualiteit van zijn oeuvre. Nimmer in de geschiedenis is het volk, ook al was het kwantitatief massaal, “vervreemd” geweest van zijn eigen wezen, aldus Kierkegaard. Maar duidelijk ziet hij reeds hoe “volk” tot “massa” ontaardt en hoe dit kwantitatieve verschil zal leiden tot miljoenen gedresseerde apen die leven als machines, kerkelijk gesproken ook nog “verzekerd door een aandeel in de Fa. God & Zoon”.


Christendom en revolutie

In het licht van voorgaande beschrijving laat zich gissen dat ook Kierkegaards visie op christendom en kerkelijkheid in de samenleving onze aandacht waard is. Wij moeten ons hier beperken tot één, overigens typerend citaat: “De strijd om het christendom zal er straks geen meer zijn aangaande leeraspecten (als twisten tussen orthodoxen en heterodoxen). Neen, straks wordt het een strijd om het naakte bestaan, niet in het minst vanwege de sociale en communistische onrust. Hét probleem van ons christenen zal worden: of wij de naaste beminnen. Alle aandacht zal dan weer verschuiven naar het leven van Christus Zelf; en het christendom zal dan weer worden gemeten naar de gelijkenis met Christus’ leven. De wereld heeft allang het masker afgetrokken van al dat bedrog en die ontvluchting waarmee de christenheid zich veilig had gesteld door het christendom tot een zaak van leerstelligheid te verklaren. Maar nu roept de Revolutie in de wereld: “We willen nu eindelijk jullie daden wel eens zien””. Duidelijk grijpt Kierkegaard hier vooruit op de ergernis van de kerken die elkaar met lettertwist te lijf gaan en vertolkt hij reeds de bijtende kritiek van de Derde Wereld, “die eindelijk wel eens daden wenst te zien”. Ook hier gaat het weer niet op om Kierkegaard triomfantelijk voor het karretje van Rome óf Reformatie te spannen. Zijn kritiek op het pauselijk machtsinstituut is even groot als die op het verwereldlijkt lutheranisme “Het katholicisme had scherp gezien dat het een zegen is, als de geestelijkheid niet teveel van deze wereld is: vandaar ascese, celibaat etc. Maar het werd hoogmoed en men wilde meer zijn dan slechts tusseninstantie tussen God en mensen en zo werd het een handeltje d.m.v. aflaten. Dat heeft het protestantisme goed gezien. En het verkondigde terecht dat de geestelijkheid gelijk aan anderen moet zijn. Maar zo ontstond weer een geheel verwereldlijkte geestelijkheid van zakenlui en belangrijke functionarissen, met vrouwen kinderen, gevangen in de drukdoenerij van de tijdelijkheid. Maar als Gods woord dan door zo’n medium moet klinken, kun je net zo goed kapokmatrassen nemen”. In deze dialectische spanning tussen de verziekte eenzijdigheden, vecht aldus Kierkegaard, door niemand nog begrepen, tegelijk voor kloosterlijk protestantisme zoals het in Taizé gestalte krijgt, als voor een katholicisme dat die openheid naar de wereld vertoont die Christus van zijn kerk heeft geëist: even krachtig is zijn pleidooi voor contemplatie als voor actie en omgekeerd voor solidariteit en participatie, als dat hij op de bres staat voor meditatie en voor stilte, die heden zo ziekelijk eenzijdig als “heil uit het Verre Oosten”. worden verwacht. .