Kierkegaard en Socrates

De plaats van de ironie in het geestelijk leven


Tijdschrift voor Geestelijk Leven 30: 203-207, 1974


Sixtus W.R. Scholtens, o.carm.


Socrates (470-399 v. Chr.) is aan velen vaak alleen bekend door Xantippe, zijn vrouw. Kierkegaard (1833-1855) kent men dikwijls ook alleen vanwege zijn verbroken verloving met Regine Olsen. Het woord van Kierkegaard, dat je “alleen dichter of heilige wordt door de vrouw die je niét krijgt”, zal ook door Socrates wel al zijn uitgesproken. Maar de gelijkenis tussen beiden gaat verder dan die van hun ongelukkige liefdeservaringen.


De ironie

Zowel Socrates als Kierkegaard waren meesters van de ironie. Wat wil dat zeggen? Dit woord heeft meestal voor ons alleen maar een negatieve betekenis: “Een manier van spotten door het tegengestelde te zeggen van wat men bedoelt”. Meestal verglijdt de betekenis dan snel in de richting van hatelijkheid en sarcasme. Toch is dat niet juist. De ironie is veeleer een positieve tactiek van wijze mensen, die hun leerlingen tot nadenken willen brengen, door hen, eerst in een “voorwasmiddel te week te zetten”. Zo kunnen zij zichzelf de oren wassen, zonder dat de meester dit moet doen. Het is dus een uitnodiging tot zelfwerkzaamheid, het is de prikkel tot kritisch denken. Het is de enige weg om tot waarheid te komen in de zin van een persoonlijk-doorleefde overtuiging (dit houdt ook in: tot christen-zijn). Toch heeft het woord een nog diepere zin. Alles op aarde is b e t r e k k e l ij k, maar het vraagt wijsheid dit te doorzien en niet langer slaaf te blijven van lust, geld, macht of wat dan ook, zaken die wij zo gemakkelijk ver a b s o l u t e r e n. Ironie is dan ook: de ontmaskering van de vergoddelijking van het betrekkelijke. Wie een ander in een levensbeschouwing wil bevestigen, kan wel trachten die ander zijn stellingen aan te praten, maar je kunt een ander geen waarheid bijbrengen zoals je je kleren in een koffer persen kan. De waarheid moet, ook bij die ander, van binnen uit komen. Om in het beeld te blijven: die ander heeft echter veel te veel nutteloze zaken in zijn koffer. Die moet hij eerst uit eigen overtuiging, als prullen terzijde leggen. De oude term hiervoor is “via purgativa”, het leegmaken van zichzelf. Dit nu is de r e l i g i e u z e zin van ironie. De goeroe of magister helpt zijn discipel, om zichzelf te worden. Zij gelijken in die zin op een vroedvrouw. Deze religieuze zin van ironie-als-tactiek is in het verleden in het geestelijk leven vaak verwaarloosd. De reden is duidelijk. Niet zelden waren de leidslieden zelf zo bekrompen, dat zij niet in staat waren om in te zien, dat “zin voor betrekkelijkheid” nog niet hetzelfde is als louter negativisme. Met hun humorloze orthodoxie en hun angst voor twijfel, hebben veel religieuze opvoeders hun pupillen stante pede geïndoctrineerd. De “indoctrinatie” immers betekent: iedere wijze waarop men een ander tot overtuiging wil brengen, zonder diens vrijheid te respecteren. Het woord ‘over- tuigen” betekent letterlijk “naar je standpunt toe t r e k k e n”. Maar voordat men zich gewonnen geeft, zegt Kierkegaard, is eerst breedvoerig “overwegen” nodig. Dit betekent naar de letter dat men eerst alles bij zichzelf moet w e g e n. Wie dit niet respecteert pleegt volgens Kierkegaard onmiddellijk “propaganda”, precies in die verderfelijke zin die wij later van totalitaire systemen hebben leren kennen, en waarop wij ook de catechese hebben betrapt. Het is weer geen toeval dat Socrates en Kierkegaard, ondanks de 22 eeuwen die hen scheiden, ook op dit punt gelijkenis vertonen.


Systemen als afgoden

Socrates zag in zijn tijd de onaangevochten opinies over “staat” en "welzijn" -dat zogenaamde “vanzelfsprekende goed voor allen”- als een grote bedreiging van de menselijke waardigheid. Daarom bestreed hij de invloed van politici en systeem-filosofen, door op de straat voortdurend quasi-domme vragen te stellen aan het gewone volk. Kierkegaard deed hetzelfde, omdat ook hij de massale dom-vanzelfsprekende kerkelijkheid als de grootste bedreiging beschouwde voor waarachtig christen-zijn. Spits beschrijft hij de situatie van de verregaande vereenzelviging van christendom met beschaving in de Deense Staatskerk met de bemerking: “Eerst waren er geen christenen. Toen werden we allemaal christen. Met als gevolg dat er weer geen christenen zijn”. Zo leerden beiden, Kierkegaard en Socrates, met hun “verloskundige methode” de gewone man bij alles in het leven eerst de vraag te laten stellen: “Zou dat nou allemaal wel waar zijn ?” Beiden wisten ook daarom eens te worden beschuldigd door de vertegenwoordigers van “het officiële” (staat, kerk, denksysteem, vakbond etc.) van gevaarlijke volksmisleiding. Het “officiële” verdraagt n.l. het kritisch nadenken niet. Anders komt zijn gebrek aan logica en tegelijk zijn heerszucht te pijnlijk bloot. Zo ontstaan excommunicaties en concentratiekampen. Niemand heeft dat feit duidelijker geïllustreerd dan dat Amsterdamse joodje in 1943: op de schutting waar geschilderd stond: “V is victorie want Duitsland wint op alle fronten”, voegde hij eronder toe : “J is Jaap want hij is morgen jarig”. De ironie is dus de geesteshouding waarmee iemand zichzelf overwegende tot zijn levensovertuiging voert. Het is een weg naar de waarheid, niet de waarheid zelve. Want het is geen toeval dat het begrip ironie in het dagelijks spraakgebruik zo snel verglijdt naar het negatieve van sarcasme of afbraakmentaliteit. De ironie mag bij wezen slechts “correctief” blijven en het dagelijks spraakgebruik beseft dit. Een correctie geldt slechts zolang er ontsporing is, in dit geval de ontsporing van een verabsolutering van een betrekkelijkheid. Niet alleen van betrekkelijkheden als lust, geld, macht en eer, maar ook die van de orthodoxie der domme letterlijkheid of die van de zaligverklaring van een bepaalde religieuze taal of van een theologisch systeem. Daartegen protesteerden beiden, Socrates en Kierkegaard.


Het correctieve

Op hetzelfde punt s p l i t s e n zich echter ook hun wegen. In 1841 promoveerde Kierkegaard op “Het begrip ironie, met een onafgebroken blik op Socrates”, een ongewoon proefschrift waarvan de verdediging zes uren in beslag zou nemen. In dit werk verwijt Kierkegaard aan Socrates m.n. het boven-gesignaleerde negativisme, d.w.z. een verstarring van het correctief tot ongeoorloofde zelfstandigheid. Vaak wordt dit ook aan Kierkegaard zelf verweten, op velerlei gronden, maar altijd als te overhaaste conclusie uit onvoldoende kennis van zijn oeuvre. Slechts twee citaten mogen volstaan. In zijn laatste dagboek zegt hij i.v.m. Luther: “Een correctieve actie sticht onheil, zolang zij niet vastgehouden wordt in de samenhang met datgene waartegen zij ageert. Elk verzelfstandigd correctief brengt precies het tegenovergestelde teweeg van wat het eigenlijk bedoelt te zijn” (XI 1 A 28). Een jaar eerder, in 1853, zegt hij: “Elke volgende generatie heeft weer het tégendeel van het correctief nodig” (X 5 A 106). Duidelijker kunnen onze hedendaagse polarisaties en wederzijdse verketteringen in kerk en politiek leven niet worden gekenmerkt.


Het gulden midden

Kierkegaard schrijft aan de ironie dus wezenlijk het kenmerk van voorlopigheid toe, zoals hij dat ook doet met het begrip “revolutie”. Maar hij wordt steeds furieus op mensen die -in de pendelbeweging van het leven tussen actie en reactie- één halve pendelbeweging overslaan en achteraf dan schreeuwen: “Hadden wij dat altijd al niet gezegd?” Kierkegaard is een man van het gulden midden, van het “juiste milieu”, zoals hij zelf graag zei. Maar niet van dat midden van een kuil waarin twee knikkers elkaar uit tegengestelde richting vanzelf vinden. Kierkegaard is het symbool van dat midden van die twee ongeloofwaardige knikkers, die tegen de berg op rollen om elkaar te treffen in dat subtiele en paradoxale “juste milieu” dat het kenmerk van het christendom is. Maar wegens onze erfzondige zwaartekracht blijft ironie altijd weer nodig. Net als de revolutie van de kloosters tégen de gevestigde orde vaak al spoedig weer vraagt om een revolutie tégen de kloosters. Ironie was er nodig toen kloosters nog naamloze collectivismen waren en men er té “vanzelfsprekend” intrad. De ironie blijft gelden, wanneer heden ten dage in geëngageerde groepsvorming naar vernieuwing en affectieve banden wordt gezocht om het geestelijk leven een nieuwe geloofwaardige gestalte te geven.