Gods voorzienigheid bij Kierkegaard


Tijdschrift voor Geestelijk Leven 32 :486 - 493, 1976


W.R. Scholtens o.carm.


Sinds ‘God dood is’, zoals dat dan heet, staan natuurlijk ook de aandelen van zijn Voorzienigheid niet meer hoog genoteerd. Dat is logisch want het een hangt met het ander samen: als Gods bestaan voor de hedendaagse mens een vraag geworden is, wordt ook het geloof in een God die leiding geeft aan het wereldverloop een problematische zaak. Er wordt dan ook niet meer over gepreekt. En zo het thema in de borrel-conversatie nog ter sprake komt, dan alleen in de vorm van de beruchte kwestie hoe kwaad en ellende te rijmen zijn met een Voorzienigheid. Hoe is datgene wat eertijds levenswerkelijkheid voor de christenheid was in onze dagen zo problematisch geworden ? Alleen maar door toenemend materialisme, alleen door groeiend ongeloof ?


Het ontstaan van het Godsprobleem.

Het is intussen geen nieuws meer dat de visie op God nauw samenhangt met de veranderingen in de samenleving, die vooral het gevolg geweest zijn van natuurwetenschap en techniek. Gods voorzienigheid in een onveranderlijke agrarische wereld, die eertijds in zes dagen kant en klaar was afgeleverd, was tot voor twee tot drie eeuwen een vanzelfsprekende werkelijkheid. En daarom door theologen ook duidelijk omschrijfbaar. Al te duidelijk, althans toen het inzicht groeide dat God meer aan ons overlaat dan de beperkte krachten van weleer de mens mogelijk maakte. Populair gezegd: Sinte-Apollonia verdween toen de tandarts kwam. Anders gezegd: God, die steeds minder gevonden kon worden in de wereld, wordt vervolgens steeds meer gezocht in het eigen innerlijk van de mens. Totdat ook daarop weer kritiek kwam: “Kan de mens zichzelf niet van alles wijsmaken?” Het gevolg van die kritiek (vooral sinds Feuerbach 1804-1872) was een schokkende vertwijfeling, maar ook een zuivering van het al te pretentieuze theologie-bedrijf, dat zo gemakkelijk van de Verborgene een karikatuur verkondigt. Anderzijds glijdt het praten over een ál-te-verborgen God gemakkelijk af naar praktisch volledig atheïsme voor dagelijks gebruik. En daar voelen zeer velen zich vandaag bijzonder happy bij. Of niet? Breekt het zich- niet-willen-stellen van de levensvraag (Godsvraag) niet toch een keer zuur op? Of is dat een vraag die al te vroeg alweer een antwoord aandraagt, “om vooral God maar veilig te stellen”? En, -om toch de stap naar de wereld weer te wagen-, raakt de natuurwetenschap (voorheen haast een reden tot ongeloof) niet opnieuw aan een grens die met een Hoofdletter moet worden geschreven? De discussie is nog gaande.


Voorzienigheid en existentie

Eenzelfde soort van discussies was in Kierkegaards studententijd in volle gang. De Duitse wijsgeer Hegel had kort voordien de “dood van God” al aangekondigd en in de kille romantisch-melancholische sfeer van een dichter als Jean Paul en een schilder als Gaspar David Friedrich, vocht de jonge Kierkegaard met het probleem, niet alleen wetenschappelijk, maar ook in persoonlijke vertwijfeling aan de zin van zijn bestaan. Zo verschijnt het probleem van de predestinatie al op de eerste bladzijden van zijn dagboeknotities en is zijn kritiek daarop “dat men niets van het raadsel verklaart door één van de begrippen te negeren” (1 A5). Hij bedoelt hiermee dat men de moeilijkheid van het probleem, -Gods almacht en voorkennis “ tegenover” menselijke vrijheid-, volkomen open moet houden. Hier kijkt reeds om de hoek wat Kierkegaards hele leven zo typeert, in protest tegen Hegels al te gladde verzoening tussen tegenstellingen, n.l. het feit dat hij “de wonde open houdt”, de overtuiging dat de dingen des levens nooit redenerend, maar slechts existerend kunnen worden verzoend. Anders gezegd: bij alle vlijmscherpe logische analyse (die steeds geboden blijft) liggen de uiteindelijke levensbeslissingen toch in de wil: “Het beste bewijs dat er een rechtvaardige Voorzienigheid bestaat is te zeggen: “Ik wil geloven in alles wat mij overkomt”. Elk bewijs is dwaasheid en een vorm van dubbelzinnige twijfel die langs twee wegen tegelijk (de objectieve en de subjectieve) in één keer hetzelfde tracht te bereiken. De gelovige zegt bij zichzelf: “Het allerafschuwelijkst zou zijn dat jij je permitteren zou God te beledigen, door op nog zo heimelijke wijze te denken dat God ooit onrecht zou doen” (VII 1 A 61). Met het “objectieve” en “subjectieve” bedoelt hij hier de Voorzienigheid als wereldbestuur en de Voorzienigheid die ik aan het werk weet in mijn eigen leven. Kierkegaard brengt dit klassieke onderscheid vaak ter sprake omdat hij al te goed weet, dat wij mensen zo graag over de eerste filosoferen om eraan te ontkomen de tweede ernstig te nemen. Dat geldt niet alleen van de Voorzienigheid maar ook zelfs van het bestaan van God: zolang de mens zijn bloedeigen hachje gedekt houdt door alleen maar in objectieve, wetenschappelijke termen (dus: op tot-niets-verplichtende wijze) over God praat, is de mens in feite atheïst In de kwalijke zin van het woord. “In het fantastische medium van abstract gepraat bestaat God niet. God is. En alleen voor iemand die existeert bestaat God, bestaat Hij m.n. in het geloof. Voorzienigheid en verzoening e.d. bestaan slechts voor wie waarlijk existeert” (VII 1 A 139).


Midden tussen de uitersten

Op het smalle pad tussen “ongeloof” enerzijds (God te weinig aan het werk te zien) en “bijgeloof” aan de andere kant (God teveel aan het werk te zien) gaat Kierkegaard zijn eigen weg. Met de onmachtigen deelt hij de leegte en de twijfel om ooit iets van God te ervaren en te kunnen zeggen, anderzijds heeft hij geen dag voorbij laten gaan zonder in strijdend gebed met God in overleg te blijven omtrent de zin van zijn bestaan. In die zin is Kierkegaard als “atheïst” en “piëtist” tegelijk (zonder zich in het ongelijk van een van die twee vast te wroeten), nog steeds een unicum in de geschiedenis van de christelijke vroomheid. En aldus illustreert hij, ook in levende lijve, de wonderlijke gaafheid én spanning die zijn denken tussen de twee uitersten die de tegenspraak van dit leven zijn in zo hoge mate kenmerkt. Helaas, maar onvermijdelijk, heeft hem daarom het lot getroffen dat hij in deze eeuw in “factoren ontbonden” is en voor de meest uiteenlopende linkse en rechtse, horizontale en verticale karretjes gespannen werd. Daardoor is tot nu toe teveel aan de aandacht ontsnapt welke nieuwe wegen Kierkegaard al heeft gebaand over het smalle pad tussen het atheïsme enerzijds en een vlucht in het piëtisme van de andere kant. Dat zijn oplossing voor het probleem óf en hoe er een Voorzienigheid bespeurbaar is bij Kierkegaard niet in logische bewijsvoering ligt, betekent nog niet dat hij als godsdienstfilosoof (onder het pseudoniem Johannes Climacus) toch niet heel de problematiek van een Voorzienigheid “na de dood van God” tot op het merg heeft uitgebeend. Dat resultaat was niet zo groot. Maar hij wist dan tenminste, met Sokrates, “dat een mens niet veel weet (maar dat kan elke lummel wel zeggen)”. “Van de Voorzienigheid valt niet veel te begrijpen, evenmin als van de verlossing. In beide kan men slechts geloven. Het begrip voorzienigheid betekent dat God zich om het individu bekommert, om het meest-eigene in iedere mens. Als men dat toch begrijpen wil, komt men hoogstens tot een in de fantasie, in de abstractie bestaande eeuwige overeenstemming tussen de On-eindige en het eindige” (VII a 130).


In deze ene tekst vallen twee zaken op: 1) dat er over een algemeen wereldbestuur door God niet veel te zeggen valt, zolang niet 2) de mens eerst van zichzelf durft te geloven dat God oneindig in hem geïnteresseerd is; dit laatste is absolute voorwaarde voor meer geloof en inzicht in het eerste. Hoezeer dit werkelijkheid voor Kierkegaard geweest is, valt uit de intimiteit van zijn dagboeken af te leiden. Heel zijn leven heeft onder de spanning van twee uitersten gestaan, t.w. a) dat een God-in-het-algemeen nergens concreet aanwijsbaar is en dat men geen enkel wonder kan verwachten, terwijl b) toch in het volhardend gebed de kleinste dingen transparant worden en alles een wonder mag heten. Kierkegaard is de wonderlijke eenheid van een koele atheïstische analyse van de eigenwettelijkheid van dit bestaan samen met een kinderlijke hoogst-persoonlijke omgang met God: “Als ik dan toch, met tegenzin, de samenhang van heel mijn leven schets, doe ik dat bovenal om één reden: ondanks al mijn enorme reflectie en berekening (menselijk gesproken) was er steeds een derde macht aan het werk, nl. de Voorzienigheid. Pas achteraf zag ik telkens hoe beter daarom de zaak gediend was” (IX A 173). “Als ik het aandeel van de Voorzienigheid aan het totaal van mijn schrijverswerkzaamheid zo nauwkeurig mogelijk onder woorden moet brengen, is de enige treffende en beslissende formulering dat de Voorzienigheid mij heeft opgevoed” (S.V. (3) 18).


Christendom en sociale gerechtigheid

Geen moment in zijn leven heeft hij dit geloof verloren, ook niet toen hij zich geroepen wist kerk en samenleving te moeten confronteren met de harde eisen van het evangelie: “Het was alsof de Voorzienigheid tegen me zei: “Beste kleine vriendje, juist nu heb ik deze scherpe voorstelling van Christendom nodig. Maar zonder lijden is dat niet mogelijk. Eén moest eraan geofferd worden. Ik heb jou daarvoor uitgekozen. Ik had je gemakkelijk kunnen dwingen. Maar ik had liever dat je er in alle geduld zelf mee akkoord zou gaan”. En daarin heb ik mij geheel gevonden” (X 1 A 641).

De consequenties van Kierkegaards optreden tegen de kerk waren pijnlijk, voor die kerk, maar ook voor hemzelf. Er is een merkwaardige overeenkomst tussen Kierkegaard en Karl Marx: beider revolutionaire verontwaardiging was gericht op een verziekte conservatieve ideologie die een massa onderdrukt. De verschillen zijn ook duidelijk: Kierkegaard protesteert uit naam van het evangelie, Marx uit naam van het volk; Marx zoekt het heil in het collectieve en richt zich op de structuren, Kierkegaard meent dat de droom van broederlijke gelijkheid onvermijdelijk tot nog grotere terreur leidt, zolang niet eerst iedere enkeling in de gemeenschap zichzelf in kinderlijke openheid naar de Vader bewust wordt van het feit dat zijn medemens broeder en zuster is omdat wij allen dezelfde Vader hebben. Hoezeer hun inspiratie (het lot van de massa) parallel liep moge zijdelings blijken uit het volgend citaat waarin Kierkegaard de karikatuur van de burgerlijke “Voorzienigheid” onbarmhartig scherp schetst: “Bij lieden die iets bezitten of iets in de wereld geworden zijn, treft men meestal wel een neiging aan om religieus te zijn. Daarom praten zij graag over de Voorzienigheid, over een wereldbestuur enz. Charmant! Maar als men die vroomheid wat nader analyseert, zou men rillingen kunnen krijgen van zoveel wreedheid en egoïsme. Als men nl. iets bezit of in de wereld geworden is, wil men daar ook graag profijt van hebben en voert men dus dit aardse op geraffineerde wijze terug op God: zo verschaft men zichzelf dan gewicht doordat men zich aldus (1) ook nog object maakt van een bijzondere aandacht van de Voorzienigheid. Aha! Bovendien beeldt men zich dan graag in dat het omwille van het bezit van dit aardse goed wenselijk is dat er een Voorzienigheid bestaat. Dat is dan (2) een garantie, zo meent men. Aha! Vervolgens vleit het de mens zich in te beelden dat datgene wat men in de wereld bereikt heeft (3) een loon van de Voorzienigheid zou zijn omdat men het leven zo goed heeft benut. Aha! Voorts helpt dat geloof, hoe vreemd het ook schijnt, iemand misschien om zich af te schermen tegen de impressie van lijdende en ongelukkige mensen en dergelijke herinneringen aan de ellende van dit leven (4). Zo heeft men dan ook nog iets aan die noodlijdenden voor te houden door hen naar de Voorzienigheid te verwijzen en dat stelt de mens immers heerlijk gerust, zodat hij door kan gaan met het genieten van het leven in overvloed. En mocht de lijdende ongeduldig worden, dan kun je nog altijd een stap verder gaan en zeggen dat zijn lijden een schuld, een straf is, die hij over zichzelf heeft afgeroepen... omdat er immers een Voorzienigheid bestaat die de goeden beloont (charmant!) en de kwaden straft. Tenslotte kan men (5) met een Voorzienigheid prachtig verdedigen dat men niets méér voor noodlijdenden doet dan datgene wat men al doet, omdat men immers vrezen moet dat men op verstorende wijze in zou grijpen in de plannen die de Voorzienigheid met ieder mens apart heeft!


Dit idee van de providentia specialissima is een christelijke gedachte. Maar met behulp daarvan wordt alles mogelijk. In het N.T. liggen de zaken echter anders. Het zijn de christenen van wie men aanneemt dat zij het object zijn van die providentia specialissima,. Maar onder een christen verstaat het N.T. iemand die vrijwillig gebroken heeft met alles wat deze wereld geluk noemt, iemand die zich blootstelt aan lijden en offer en aan wie daarom is toegezegd dat hij object van Gods bijzondere zorg zal zijn zodat hem geen haar op zijn hoofd wordt gekrenkt zonder Gods wil. Maar hier, zoals overal, springt men weer in alle willekeurigheid met het christendom om. Men plukt er datgene uit waarvan men denkt dat het de genotzucht wel aanspreekt en men verwerpt wat niet behaagt. En zo brouwt men zich dan een (gauwdiefachtige) religiositeit die christendom moet heten” (XI 1 A 267). “Goud en zilver heb ik niet”, zei Petrus, “maar wat ik heb geef ik je: sta op en loop” (Hand. 3,6). Later zei de geestelijkheid: “We hebben wel goud en zilver, maar we hebben niets te geven” (X 1 A 672).