Politiek en Evangelische Raden bij Søren Kierkegaard


Tijdschrift voor Geestelijk Leven 33: 298-309, 1977


W. R. Scholtens, o. carm.


Menselijkheid

Wij hebben sinds eeuwen gewerkt met een onbijbelse (Griekse) visie op de mens. Volgens deze is de mens van oorsprong een engel (‘onsterfelijke ziel’), tijdelijk ‘ingevleesd’, totdat hij weer ‘ont-slaapt’. Daarbij werd lichaam en wat ermee samenhangt (sexualiteit, wereld als opdracht, arbeid, politiek) vaak negatief gekwalificeerd. Dit idee beheerste ook de Oude Catechismus. Vraag 44 van de ‘Catechismus van de Nederlandse bisdommen’ (ed. 1948) luidde: "Wat zijn mensen?", En het antwoord was: "Mensen zijn schepselen die bestaan uit een onsterfelijke ziel en een sterfelijk lichaam", Tot nadere uitleg volgde onmiddellijk vraag 45: "Wat is het voornaamste in de mens?". Antwoord: "Het voornaamste in de mens is de ziel, want de ziel is een onsterfelijke geest, geschapen naar Gods beeld en gelijkenis", De oorspronkelijke inspiratie van deze stelling is duidelijk en waardevol: de mens tracht greep te krijgen op zijn eigen wezen en weigert, in Gods naam en die van Jezus, zich te laten reduceren tot een louter-sterfelijk beest. Het fatale van deze formulering was echter datgene wat er in vraag 44 verzwegen wordt (de geest) en wat in vraag 45 gewoon geïdentificeerd wordt (geest is hetzelfde als ziel). Daarmee verdampte de concreetheid van de geest, omdat alles immers draaide om de bestemming van de onsterfelijke ziel (al of niet met de garantie van 9 eerste vrijdagen en een scapulier om veilig langs het vagevuur te komen). De gevolgen van dit ‘dualisme’ of ‘platonisme’ zijn bekend, zowel dogmatisch, sociaal, moreel en zelfs hygiënisch; broeder Ezel kan ervan meepraten.


Kierkegaard en de geest

Na eeuwen van christelijk platonisme is Kierkegaard (1813-1855) als christelijk schrijver de eerste geweest die -ook theoretisch- tegen deze verminkende tweeledigheid heeft geprotesteerd. Zijn stelling is dat het gelijktrekken van ziel en geest (zoals in vraag 45 gebeurde) de geest in de mens heeft ‘verdampt’, zodat ook de duif van de Heilige Geest geen takjes meer vond om zijn pootjes op te zetten. Zoveel rationele pretentie van geleerden om het mysterie ‘mens’ precies in begrippelijke doosjes te persen, moest zich wel wreken. In heel zijn werk, maar vooral in "Het Een of het Ander" (1843) en in "Stadia op de levensweg" (1845) herneemt Kierkegaard de oer-oosterse en joodse traditie om over de mens te spreken in een d r i e - l e d i g h e i d. Hij noemt de levensfasen (niet: ‘bestanddelen’) van de mens het aesthetische, ethische en religieuze stadium. Hij bedoelt daarmee dat de mens niet kant en klaar is afgeleverd, maar dat hij (als individu en als mensheid) groeit van 1) het ik-gerichte (het lichamelijke), via 2) een ontvankelijkheid voor het andere (het psychische), naar 3) een radicale solidariteit in overgave (het spirituele). Het geestelijke komt een mens dus niet zomaar aangewaaid. Kierkegaard kiest als voorlopige ‘werkdefinitie’ van ‘geest’ dat de mens ‘geest’ is, naarmate het woord van het evangelie over zijn daden macht blijkt te bezitten. De vragen naar het hoe van de opstanding of van een ik-bewustzijn na de dood laat hij rustig aan de beloften van Jezus over. In elk geval mogen ‘geest’, ‘spiritualiteit’ en de ‘geestelijkheid’ niet achter de wolken ontsnappen in een op voorhand toegeëigend hiernamaals. In schema opgesteld en van onderen naar boven gelezen, komt Kierkegaard dan tot de volgende gelijkenissen :


3) het religieuze         3) overgave                3) het geestelijke        3) het wij

2) het ethische            2) ontvankelijkheid    2) het psychische       2) de ander

1) het esthetische       1) het ik-gerichte        1) het lichamelijke     1) het ik


Met voorgaande kritiek op de Catechismus is niet gezegd dat de katholieke spiritualiteit altijd engelachtig heeft willen ontsnappen aan het aardse. Goddank was haar praktijk beter dan haar leer. Toch heeft die leer bedenkelijke gevolgen gehad: het christendom werd vaak geestloze verlegenheid (of: genoegzaamheid) met het ‘hier’ en tegelijk een ziekelijk overspannen verwachting van een ‘hiernamaals’. Voorts werden de groeifasen ‘van onderen op’ zelden genoegzaam gerespecteerd, hetgeen zich, bijv. op het kloosterleven, in bedenkelijke mate gewroken heeft. Het studentje Kierkegaard schrijft protesterend tegen zijn eigen ‘christelijke’ opvoeding, wanneer hij pas op kamers woont in 1834: ‘Christenen zijn net ruinen; ik heb liever met hengsten te doen’.


Kierkegaard en de H.H. Geestelijken

Op het einde van zijn korte leven heeft Kierkegaard in 1855 een jaarlang de gevestigde Deense Staatskerk met een trommelvuur van pamfletten bestookt op een niet zachtzinnige wijze. Dit feit is voor de Kierkegaard-interpretatie altijd een uiterst pijnlijke zaak geweest. Hoe kon zo'n vroom en gezagsgetrouw man, zo'n subliem schrijver over spiritua1iteit ertoe komen zo grof tekeer te gaan tegen de ‘aandeelhouders van de Fa. God & Zoon’? Velen, ook nog lang na zijn dood, namen aan dat hij min of meer gek geworden is; zulks in het algemeen volgens hetzelfde recept als dat waarmee de Sovjets hun dissidenten afvoeren naar ‘psychiatrische’ klinieken.

De nieuwste Kierkegaard-studies tonen echter steeds klemmender aan dat zijn aanval op de kerk een lijnrechte consequentie is uit zijn visie op de groei van mens en samenleving¹. M.b.t. de kerk wordt uit het voorgaande minstens al duidelijk dat zij ‘geestelijk’ dient te zijn in die uiterst-geïncarneerde zin zoals Kierkegaard hierboven definieerde. Als de christenen en vooral hun leiders eeuwen aaneen de mens en zijn werkelijkheid beknotten zoals bij ons vraag 44 en 45 van de Oude Catechismus dat hebben gedaan, dan laat dit zijn sporen na. Mens en kerk worden dan ófwel krampachtig engelachtig en wereldvreemd, óf zij zakken schuldig-berustend terug in de ik-gerichtheid van de gevestigde orde, ook van de staatkundige verhoudingen, waarmee de kerk meestal gemene zaak maakt. De christenheid moet eerst weer leren de geest te respecteren, d.w.z. ‘van onderen op’ de groeifasen naar volwassenheid (ook de politieke) een kans te geven, door er niet te veel aan te bevoogden.


Kierkegaard en de politiek

In concreto gaat Kierkegaards kritiek op de kerk vooral uit naar 2 vormen van ik-zucht: a) het reformatorische feit dat elke geestelijke per se getrouwd moet zijn, waardoor het klooster, als een soort ‘Gideonsbende’ van kleine groepen die de gevestigde orde durven te choqueren onmogelijk is geworden in de Reformatie, en b) het instituut kerk bijgevolg, verbloemd maar in feite, nog slechts uit is op macht, geld en op het domhouden van de massa. In zijn meditaties over deze zaken holt Kierkegaard niet te snel naar het evangelie als patentgeneesmiddel. Eerst analyseert hij (vooral in ‘Een literaire bespreking’ van 1846) hoe sinds Galilei en Luther de ‘standen’ op weg zijn naar emancipatie. Dit feit beziet hij aanvankelijk met de nodige reserves. Maar het tumultueuze jaar 1848 opent hem de ogen. Waarom zijn er zoveel revoluties? Omdat weinig machtigen miljoenen onmachtigen de kans niet toestaan om drie 'goddelijke' oerverlangens in de mens in eigen leven te verwerkelijken, t.w. vrijheid, gelijkheid en broederschap. Deze termen klinken erg ‘politiek’; zij zijn het ook als men onder politiek verstaat dat deze heel de mens in al zijn aspiraties tot ontplooiing moet helpen brengen. Gebeurt dit niet dan verschijnt een oeroud trio op het toneel, t.w. de ‘begeerlijkheid des vleesches’ (het genot), de ‘begeerlijkheid der oogen’ (ten koste van anderen) en de ‘hoovaardij des leevens’ (door bevoogding). Vooral in de jaren 1848-1853 vertaalt Kierkegaard dit negatieve trio steeds nadrukkelijker met exploitatie, onderdrukking en discriminatie. Maar hij valt de kerk daar (nog) niet op aan, omdat deze, juist in deze revolutietijd, onder zware druk stond van de kritiek van ongelovige liberalen en socialisten. Zo ontstaat er weer een reeks negatieve en positieve trio-gelijkenissen, die lijnrecht voortvloeien uit de eerdergenoemde:


3) door bevoogding    3) discriminatie         3) broederschap          3) zich schenken

2) tegen anderen         2) onderdrukking       2) gelijkheid               2) zich schikken

1) genot voor mij       1) exploitatie              1) vrijheid                  1) zichzelf zijn


Welnu, als ‘machten’ (niet alleen sex en geld, maar alle conservatisme) de uitgroei naar volwassen menselijkheid, ook van de gewone man, onmogelijk maken, moet daartegen worden geprotesteerd, in naam van de Schepper, in naam van het Woord, omdat anders het Rijk Gods, het Rijk van de Geest in Wie allen broeders zijn, niet komen kan.


Kierkegaard en Karl Marx

Er is haast geen groter contrast denkbaar dan dat tussen Kierkegaard en Marx. Bij alle verschillen is er echter één treffende overeenkomst, waardoor beiden wellicht de grootsten zijn uit de negentiende eeuw: a) de waarheid kan alleen maar gedaan worden, b) de gewone man heeft er recht op als mens gerespecteerd te worden c) religie verziekt gemakkelijk tot propaganda en middel tot zelfhandhaving in handen van machtigen; dat moet bestreden worden. Maar bij alle overeenkomst zijn er ook kapitale verschillen, niet alleen in persoon en milieu. Dat verschil schuilt vooral hierin dat Kierkegaard christen wenst te blijven en dat voor hem vrijheid, gelijkheid en broederschap slechts voeren tot nog grotere tirannie, wanneer men tracht deze te verwerkelijken in massale nivellering en zonder een Vader, buiten Wie geen gelijkheid en broederschap denkbaar zijn, omdat Hij ook de oorsprong van onze vrijheid is. Het is onrechtvaardig Marx persoonlijk te beschuldigen van tiranniek ‘collectivisme’, maar het ‘communisme’ (of ‘socialisme’, K. gebruikt de termen door elkaar) heeft daartoe in feite wel geleid. Dat heeft Kierkegaard reeds in een zeer vroeg stadium voorzien. Het is de Vader Die de verschillen tussen de mensen geschapen heeft én tegelijk de eenheid en gelijkheid van allen wil; er is geen broederschap (en reeds geen gelijkheid en vrijheid) mogelijk tussen mensen, als deze Gods Vaderschap niet erkennen. Met eenzelfde argument bestrijdt Kierkegaard niet alleen de ‘communismen’ maar ook die christelijke ‘broedergemeenten’ die met hun fanatieke nivellering het respect voor de onvervreemdbare heiligheid van iedere individuele mens met voeten treden. Uiteindelijk is alleen met het Evangelie, te weten, met de ‘drie evangelische raden’ (die bij K. voor élke christen gelden) de welverstane vrijheid, de gelovige gelijkheid en de dienstbare broederschap mogelijk. Het Evangelie is het enige antwoord op die drie menselijke oerverlangens, zo vaak geformuleerd in de Franse Revolutie. Men kan wel vermoeden dat de ‘drie raden’ bij Kierkegaard óók een welhaast anti-kerkelijk accent krijgen, indien althans de kerk zich schuldig maakt aan exploitatie, onderdrukking en discriminatie of, -in andere termen- aan economisch, politiek en cultureel-religieus machtsmisbruik; zij doet het alleen geraffineerder dan de politici. Ook de kerk manipuleert vaak de eenvoudige mens en frustreert de ontplooiing ‘van onderen op’, die ontplooiing welke in het eerste viertal schema’s (zie boven) al beschreven is: zo wordt de ‘verwijzing’ die in de ontplooiing van de schepping zelf al gegeven is, van de Vader Die schept en de Zoon Die Verlosser en Voorbeeld is, naar de Geest die werkdadig bevrucht, door machtsmisbruik verduisterd. Aldus ontstaan wederom enige ‘drietallen’ :


3) Geest bevrucht       3) broederschap          3) machtsmisbruik     3) ‘maagdelijkheid’

2) Woord verlost        2) gelijkheid               2) collectivisme          2) ‘armoede’

1) Vader schept          1) vrijheid                  1) egocentrisme          1) ‘gehoorzaamheid’


De menselijke en religieuze groeifasen van mens én gemeenschap verlopen dus volgens een door God gegeven rangorde van waarden die ook religieus-politieke betekenis heeft, Kierkegaard wordt zich hiervan door de revoluties van 1848 en de fatale eenzijdigheden van de Deense Staatskerk acuut bewust, De ‘gehoorzaamheid’ is voor Kierkegaard niet primair gezagsgehoorzaamheid aan andere mensen, maar het besef van recht (en plicht) om eerst zichzelf te mogen (moeten) zijn; dat besef groeit primair door zichzelf naar binnen toe, tot op zijn eigen Grond te leren beluisteren, ‘Soberheid’ heeft met geld en goed te maken, maar meer nog met de kunst om geen enkel middel (ook geen machts-middel) te vergoddelijken, En ‘maagdelijk’ is pas de broederschap, die de voorkeur voor bepaalde mensen weet te overstijgen, in het geloof dat allen elkanders broer en zuster zijn.


De evangelische raden

Met het bovenstaande als achtergrond worden zowel wezen als doel van de evangelische raden, zoals Kierkegaard deze ziet, geleidelijk duidelijker en tegelijk het verschil met de juridische en individualistische opvattingen van onze traditionele visie op de ‘geloften’.


Gehoorzaamheid. Op het eerste gezicht is het even vreemd dat Kierkegaard de gehoorzaamheid niet onmiddellijk verbindt aan een ander, een voorschrift, een overste of aan het ‘algemeen welzijn’. Zo’n gehoorzaamheid geldt hooguit voor kinderen en dan nog bij voorkeur op de wijze van ‘uitlokking’ tot het goede. Voor Kierkegaard staat gehoorzaamheid in eerste instantie in functie van jezelf, van de ontplooiing van je eigen vrijheid; als het daar niet begint, wordt het infantiliteit, hetgeen de ‘machten’ weer de kans geeft tot exploitatie. Gehoorzaamheid bij Kierkegaard voltrekt zich primair ‘tussen de vogels en de lelies’, waar de mens in stilte en meditatie zijn eigen heilige waardigheid in de ogen van God moet ontdekken. Daar komt hij tot zijn grond en ontdekt dan dat hij Grond met een hoofdletter moet schrijven. Wie dat kan is ‘ge-hoor-zaam’ en ontsluit tegelijk de bron van zijn creativiteit, de eigenschap waardoor de mens het meest op God gelijkt. Wie niet éérst zichzelf wordt ‘pleegt abortus op zijn eigen primitiviteit; dat is een zonde tegen God’ (VIII 2 B 86). En een ‘groep’ van zulke mensen ‘klit slechts aan elkaar in na-aperij, vindt maar één ding belangrijk: net als alle anderen te kunnen zijn en dat noemen ze dan naastenliefde’ (XI 1 A 62).

Soberheid. De ideale evangelische gelijkheid die de christen, bij alle persoonlijke ‘eigen-aardigheid’ van ieder mens, moet proberen te verwerkelijken vereist minstens soberheid in materiële middelen. Natuurlijk worden ook eer, aanzien, kennis etc. bedoeld, kortom alles dat -als middel- dienen kan, welke middelen niet tot doel verheven mogen worden. Maar de gevaarlijkste rijkdom is rijkdom aan macht. Daarom eist de ‘gelofte van armoede’ vooral soberheid in het gebruik van bestuurs-middelen bij degenen die besturen. Het doel van een samenleving blijft steeds dat de enkeling binnen de totaliteit in zijn of haar ‘eigen-aardigheid’ (d.w.z. creativiteit) optimaal wordt uitgelokt tot bijdrage aan het geheel. Dat eist van het individu dan wel dat hij (volwassen) creatief ‘van onderen op’ in zijn vrijheld wordt geïnspireerd door zijn diepste oerverlangen, die de verlangens van allen zijn. In deze zin heeft ‘soberheid’ dus een nadrukkelijk profetische trek inzoverre zij onophoudelijk waakzaam moet blijven, net als de Profeten protesteerden tegen de vergoddelijking van ‘middelen’ macht, rijkdom, sex of wet. Het hoeft geen betoog dat voor soberheid in deze zin de gehoorzaamheid in juist-omschreven betekenis als voorwaarde aanwezig moet zijn.


Maagdelijkheid. Pas met het voorafgaande als voorwaarde is ‘maagdelijkheid’ het kenmerk van dié samenleving waarin allen allen dienen omdat zij elkaar als kinderen van één Vader beschouwen door het voorbeeld en de Verlossing van de Zoon, Die dat mogelijk heeft gemaakt. Maagdelijkheid heeft dus niet veel met sexualiteit uit te staan, hoogstens inzoverre dat de voorkeur in het huwelijk gemakkelijk de beschikbaarheid aan allen inperkt. In het begin van dit artikel werd er al op gewezen dat Kierkegaard in alles drie groeifasen onderscheidt. Hij doet dat dus ook in de liefde. Liefde is a) primair aantrekkelijkheid tussen de seksen met nadruk op egocentrische bevrediging (‘leven van de ander’), b) dan realisatie van Gods scheppingsplan in een openbaar-geworden huwelijksverhouding (‘leven mét de ander’) en deze twee moeten uitgroeien tot c) die liefde waardoor ik de ander in zijn (haar) geheel-anders-zijn aanvaard als opdracht Gods in Christus (‘leven vóór de ander’). Dit laatste sluit het huwelijk niet uit, maar Kierkegaard voegt er onmiddellijk aan toe dat ik ‘eigenlijk niemand in liefde bezitten kan, zonder dat ik met die ander ook aan God toebehoor; een mens mag een ander niet toebehoren als ware die ander alles voor hem’. De naastenliefde heeft bij Kierkegaard uitdrukkelijk de prioriteit : ‘Je vrouw moet allereerst je naaste zijn; dat zij óók je vrouw is is eigenlijk maar een nadere bepaling van jullie bijzondere verhouding tot elkaar. Eerst met God als ‘tussenbepaling’ kan jullie liefde transparant worden’ (“Daden van naastenliefde" 1847). Het doel van de evangelische raden blijven vooral de noodlijdenden. Deze noden zijn in elke generatie weer anders en worden vaak bepaald door machts-structuren. Hoezeer brood ook nog ontbreekt, zelfs de fysieke noden zijn niet de grootste; dat blijft de discriminatie, de onderdrukking door machten die de vrijheid schenden. Daarom kunnen voor Kierkegaard de drie raden zelfs een protest betekenen tegen de kerk zelve; dat is de reden waarom hij in 1855 tegen de Staatskerk is losgebarsten. Intussen moge blijken dat bij Kierkegaard de drie evangelische raden reeds in een uiterst actueel en nieuw spanningsveld met de politieke situatie zijn geplaatst, als een strijdbaar protest namens het Evangelie tegen de meest-bedreigde levenswaarden. Kerk- en groepsvorming voltrekken zich voor Kierkegaard langs dezelfde drie fasen:

 

3) in dienst van allen aan allen (diakona) de toekomst te verwerkelijken;

2) interne groepen die alles doen ‘tot Zijn gedachtenis’ en die dan uitgaan om

1) eerst is er Schriftmeditatie die openbaart wat Jahweh en Christus met de mens voorhebben en deze sticht gemeenschap in


De dialoog tussen christenen en marxisten

Ruim 130 jaar vóór de actuele dialoog tussen christenen en marxisten² en twee jaar voordat Marx en Engels hun ‘Communistisch Manifest’ uitgeven, schrijft Kierkegaard in 1846 een tot nu toe vrij onopgemerkt gebleven boekje ‘Een literaire bespreking’. Men kan het ‘zijn manifest van christelijke revolutie’ noemen. De kern daarvan is zijn bewering dat het individu ‘van onderen op’ opnieuw tot een hartstochtelijk besef van zijn menselijke waardigheid moet worden gebracht. Hij somt daarin een tiental revolutie-beginselen op die een verbijsterende overeenkomst vertonen met wat de studenten en arbeiders in 1968 in Parijs bezielde. Tegelijk houdt hij een fel requisitoir over de ‘gevestigde orde’ (wat hij na 1852 ook met ‘Staatskerk’ vertaalt) die de gewone man exploiteert en misleidt. Achter de uitbarsting tegen de Staatskerk in 1855 schuilt als allesbeheersend positief argument in de strijd dat de kerk verraad pleegt aan wat wij in een armtierige begripsversmalling de drie ‘geloften’ noemen, t.w.:


a) zij predikt een Woord van bevrijding tot allen, maar pleegt propaganda van berusting in fataliteit³, d.w.z. verraadt de vrijheid van de enkeling,

b) zij vergoddelijkt haar status in compromis met de machten van bestaande maatschappelijke orde; zij verraadt de soberheid, reeds in materiële zin door te parasiteren op de massa van gelovigen, maar vooral in een diepere zin door het collectief egoïsme van een ‘top’ die geen veranderingen wenst en

c) door dit lucratief compromis met het burgerlijke kapitalisme discrimineert zij in feite haar gelovigen, niet in het minst door middel van een voortdurend autoritair beroep op de ‘zuivere leer’ die aan die top is toevertrouwd en waaromtrent zij alleen de deskundigheid bezit.

Zoals reeds werd gezegd: rond 1848-1851 zat de Staatskerk vanwege de revolutie in de verdrukking door atheïstische vrijdenkers. Kierkegaard aarzelt. Maar als spoedig nadien in 1852 de gevestigde kerk alweer victorie kraait omdat het allemaal zo’n vaart niet liep met de revolutie, is Kierkegaard vast besloten om de consequenties te trekken uit wat hij observeert en in het Evangelie leest. Slechts het respect voor Bisschop Mynster, de oude familievriend, heeft Kierkegaard kunnen weerhouden. Mynster stierf in januari 1854. Nog wacht Kierkegaard dat Bisschop Martensen van de opvolging zeker is. Maar dan barst hij los, negen maand aaneen. De strijd verbruikt zijn laatste krachten. En op weg naar de bank voor zijn laatste geld, waarmee nog net zijn begrafenis bekostigd kon worden, zakt de ‘jachthond van de Heer’ in elkaar, vel over been, 42 jaren oud. Een van zijn laatste Dagboeknotities luidt: ‘Drager van de idee te zijn, d.w.z. door God te zijn uitgekozen om één of misschien wel twee of drie eeuwen op je tijd vooruit te moeten zijn, is ongeveer hetzelfde als wanneer je door krankzinnigheid van elke menselijke relatie bent afgesneden’ (XI 3 B 199 - sept. 1855).

 

1. Zie bijv. J. Brechtken, Wahrheit in Praxis (Kierkegaard oder Marx), in Tijdschrift voor Filosofie, 37 (1975) nr. 3 ; zie vooral: Kreston Nordentoft: 'Hvad siger Brand-Majoren?’, G.E.C. Gad, Kopenhagen 1973.

2. R. Garaudy, Het hart op de tong, Baarn Ten Have, 1976 (vert.W.R. Scholtens).

3. W.S. Scholtens, Gods voorzienigheid bij Kierkegaard, In TGL 32 (1976), p. 486 e.v.