sören aabye kierkegaard:


Over bidden en danken


Tijdschrift voor Geestelijk Leven 28: 485-494, 1972


W.R. Scholtens o. carm.


De wonderlijke deense Socrates, Sören Kierkegaard († 1855), heeft in deze eeuw vooral als filosoof bekendheid verworven; dat dit zou gebeuren had hij al voorspeld. Maar tegelijk wist hij ook dat zijn eigenlijke betekenis, t.w. christelijk schrijver te zijn, maar moeizaam erkenning zou vinden. Hij heeft gelijk gekregen: zo veelvuldig als de filosofische studies omtrent Kierkegaard zijn, zo schaars zijn nog steeds de publikaties die zijn enorme betekenis voor de christelijke spiritualiteit duidelijk maken.

Het allesbeheersend uitgangspunt van Kierkegaards schrijverswerkzaamheid was voor hem de zekerheid, dat de christenheid in Europa zou "verdampen" omdat het geloven steeds meer zou losraken van de wortel, d.w.z. waarachtige menselijkheid. Spiritualiteit en dogmatiek zouden dan als irreële systemen gaan zweven boven de bloedwarme menselijke werkelijkheid en als zeepbellen uiteen gaan spatten:


"Als men de juiste verhouding tussen filosofie en christendom niet vasthoudt, en zonder diep borende verkenning van het menselijke, direct maar gaat speculeren over het dogma, dan krijgt men aanvankelijk verbluffend rijke resultaten. Maar nadien gaat het dan (als vroeger met de mergelgrond): een paar jaar overvloedige vegetatie en opeens blijkt de grond totaal uitgeput" (II A 77) (1)


Kierkegaard voorzag in finesses de crisis van het godsbeeld in de twintigste eeuw, uiteindelijk omdat hij de vooronderstelling van dat godsbeeld, t.w. de opvattingover het mens-zijn, geheel verziekt wist. Dat dan ook de omgang met God, kortom gebed, bijgevolg in een crisis zou geraken, was voor hem al een uitgemaakte zaak. Als Kierkegaard, zoals hij zelf zegt "slechts christelijk schrijver heeft willen zijn", ligt voor de hand dat men bij hem niet alleen veel gebeden vindt, maar ookeen nauwkeurige "vormen leer" of "grammatica" van het bidden. Deze hangt uiteraard dan nauw samen met zijn opvatting over mens-zijn en over de religiositeit. Kierkegaard ziet het menselijk leven als een strijd tussen het lichamelijke (of: het gegevene) en het psychische(of: de opgave), welke twee moeten worden verhelderd tot het spirituele (of: de menselijke werkelijkheid). Heel dit wordingsproces is tegelijk vloeiend en schokkend. Het is een continuïteit met heftige geboortecrises daartussen. Zo verloopt het leven langs drie fasen:

 

1)        Nadat het kind eerst zichzelf zintuiglijk-lichamelijk verworven heeft, individu geworden is, moet het

2)        zich invoegen in en verrijken met het algemeen-menselijke, maar zo dat het ontsnapt aan twee klippen, t.w. verkramping in het individualisme of het zichzelf verliezen in anoniem collectivisme. Slaagt de mens hierin, dan

3)        existeert hij pas, is hij pas spiritueel, heeft hij "tegenwoordigheid van geest".


Meestal noemt Kierkegaard deze drie fasen het esthetische, ethische en strikt-religieuze stadium. Men kan die aspecten ook vertalen met "leven vàn de ander", "leven mét de ander", om te leren "leven vóór de ander". Toegepast op structuur en groei der religieuze ervaring onderscheidt Kierkegaard dan:

 

1)        mythische religiositeit; dit is de godsdienstige ervaringvan het kind, van een nog niet-ontsloten opgenomen-zijn in een Albeleving van het goddelijke in de natuur, in de categorie van het tijdelijke. Dit is voorwaarde voor

2)         metafysische religiositeit, waarin men het betrekkelijke van het voorgaande doorziet, omdat het moet bestaan krachtens een eeuwig beginsel, door de Absolute. Samen met het vorige aspect groeit dan de mogelijkheid van

3)        daadwerkelijke religiositeit, die het tijdelijke en het eeuwige (der twee vorige aspecten) omsmeedt tot "vertijdelijkte eeuwigheid", of "tegenwoordigheid van geest", die God present weet "in de minste der Zijnen".


Deze drievoudige structuur ligt ook ten grondslag aan Kierkegaards visie op wezen en vormen van gebed:

 

1)        het "mystieke" bidden is de ervaring van het fascinerendevan een nabije God in zelfervaring en inschepping. Dit is vooral het smeekgebed, omdat de mens zichzelf meestal ervaart als een behoeftige.

2)        het "cultische" bidden is de ervaring van de vreeswekkende vreemdheid van Gods majesteit. Dit voert tot godsvrees, aanbidding of sprakeloos respect.

3)        maar eerst het "praktische" bidden, waarin God ons leert Hem te ontmoeten in de naaste, is de vervulling van het bidden. Hier ligt het accent op verzoening.


Apart gezet leidt elk dezer facetten tot ontsporing, maar in functie van elkaar zijn alle legitiem. Daarom is de verwerping van "Religion" (van de eerste vorm, die vooral zichzelf nog zoekt in het gebed), - zoals heden te ziekelijk gebeurt in het spoor van Barth en Kraemer-, voor Kierkegaard een miskenning van een wezensaspect in de mens. Het geheel van het gebedsleven is dus een wordingsproces, waarin de Geest van God, van het begin af, onze eigen diepste, maar nog stomme grond is. Deze grond krijgt dan vervolgens "woord" in onze bewustwording van de Oneindige. Maar dit "woord" moet zich, in derde instantie, nog incarneren. Het spirituele (en daarmee ook "spiritualiteit" in breedste zin) als voltooiing van menselijke existentie, is dus bij Kierkegaard allerminst een ontstijgen aan de menselijke existentie, maar juist de radicale bevestiging daarvan vanuit de diepste wortels:


 "Alle ware liefde houdt in dat men elkaar in een derde bemint. Dat geldt al van de laagste stadia, en blijft waar in de hoogste, die van het christendom, waar men elkaar als 'broeders in Christo' moet beminnen" (II A 24).


Bij al zijn waakzaamheid over misbruik van "Religion" (Kierkegaard was er zo mogelijk nog kopschuwer voor dan K. Barth), blijft Kierkegaard evenwel hardnekkig vasthouden aan de biddende verwoording van onze radicale menselijke behoeftigheid. Want:


"Het goddelijke kan wonderwel gedijen in aardse verhoudingen en het is niet nodig dat deze worden vernietigd om het goddelijke te laten groeien. Immers Gods Geest openbaarde zich aan Mozes in het braambos dat brandde zonder te worden verteerd" (II A 351).


Anderzijds stelt Kierkegaard zich met evenveel nadruk op tegen teveel "mystiek", of "erotisch najagen van het Fascinerende", want:

"de mens mag volgens de christelijke leer niet opgaan in God door een pantheïstisch verdampingsproces, noch door het uitwissen van zijn individuele trekken in de goddelijke oceaan ... Het proces van het transparant-worden moet zich voltrekken door een groeien in steeds krachtiger bewustzijn" (II A 248).


Reeds een eeuw voor Rudolf Otto, Barth en de nieuwe maniakale jacht op gevoeligheid in het religieuze, vindt men bij Kierkegaard, - met zijn vlijmscherpe analyses van legitimiteit en excessen van alle voornoemde aspecten-, tegelijk ook de synthese van wat velen heden nog verscheurd houdt; verscheurd, nu de nieuwe jacht naar tastbare ("mystieke") godservaring der Jesus-people alweer even groot is als de vermoeide cultus der onmacht tot gebed van veel socio-theologie voor wie Jezus, biddend op de berg, eigenlijk een neurotische autist is die zichzelf projecteert.

Misschien zou van die cultus der onmacht te zeggen zijn, wat Kierkegaard op 7 juli 1839 al in zijn dagboek noteert :


"De vrees waarmee de krankzinnige het heimelijk geestelijk overwicht van de geniale arts aanvoelt, vertegenwoordigt ongeveer de eerste, nog vijandige fase van de Godsvrees". (II A 472)


Wij willen in het hier volgende met enkele teksten illustreren hoe zorgvuldig Kierkegaard de natuurlijkheid én het gevaar tot exces van de eerste, de mythische of mystieke of kinderlijke fase van godsdienstigheid en gebed analyseert.


"De mysticus is verliefd op God, heel de wereld is dood voor hem en hij verzinkt in de beschouwing van God, Wiens beeld zich steeds meer en meer spiegelt in zijn minnende ziel. Aldus vernieuwt de mysticus steeds weer opnieuw het verloren godsbeeld in de mens. Zijn inwendig leven bestaat niet in de verwerving van persoonlijke deugd, maar meer in de ontwikkeling van religieuze of contemplatieve deugden. Maar zelfs deze zijn hem a.h.w. nog te ethisch, omdat hij zijn eigenlijke leven vindt in het gebed. Nu wil ik niet ontkennen dat het gebed ook bij het ethische leven behoort, maar hoe ethischer een mens leeft, des te meer krijgt zijn gebed het karakter van voornemen, zelfs zo dat in zijn dankgebed nog een moment van voornemen blijft meeklinken. Maar zo staat het niet met het gebed van de mysticus. Voor hem is het gebed des te zinvoller naarmate het ,erotischer' is, het hem meer in brandende liefde verteert. Zijn gebed is de expressie van zijn liefde en zijn liefde is des te gelukkiger naarmate de inhoud geringer is, hoe meer hij alleen maar in één zucht bijna verdwijnt voor zichzelf" (II 218).


Als "aanwenningsfase" is deze "mystieke" ervaring dus volkomen gewettigd. Maar Kierkegaard verwerpt haar als men zich erin nestelt, haar als "opium" gebruikt. Want zij ontloopt de strijd die geleverd moet worden om tot een werkelijke godsverhouding te komen. De "mysticus"wordt in wezen nog bedreigd door de vertwijfeling, omdat hem de zaligheid ook ontnomen kan worden. Hij is nog niet gevestigd in de onveranderlijkheid van Gods liefde die, voor de gelovige, ook blijkt uit lijden en uit de ervaring van Gods afwezigheid. In die zin is religiositeit, die gefixeerd is in de behoefte aan troost en zaligheid een vorm van onvolwassenheid. Dat God ook in het lijden ervaren wordt, is iets dat een kind nog niet duidelijk kan zijn:


"Als wij een kind bezien, zal ieder wel genegen zijn dit eenvoudig en vroom gebed te prijzen. Want een kind is arm aan geest en daarom ziet het God met Wie zijn gebed nooit in conflict kan raken. Daar ligt het geluk van het kind, maar ook de dubbelzinnigheid van het kinderlijk gebed in het perspectief der hogere ontwikkelingen. Als een kind met Kerstmis speelgoed krijgt dankt het God. Het zou wel een raar kind zijn dat om deze tijd van het jaar niet ten volle overtuigd is van Gods goedheid. Maar het smartelijke, het treurige, kan door een kind nooit op God worden teruggevoerd. Het is dus geen wonder, dat het kind zich voorstelt dat God de goedheid zelve is. Het onaangename wordt dan op andere wijze verklaard, meestal met het idee van boze mensen of een man die niets dan kwaad doet. Als de vader van het kind sterft en het kind ziet de moeder bedroefd, heeft het er toch geen idee van wat de dood eigenlijk is. Men confronteert het kind daarmee nog niet, ook al wordt het zelf door de sfeer der omgeving op de ernst van de dood attent gemaakt. Maar het kind krijgt een nieuw jurkje voorde begrafenis en daarmee is het zo blij dat de moeder het, ondanks haar tranen, niet laten kan te glimlachen" (V 149).


Kierkegaard kent eigenlijk maar één vorm van gebed: dat van dankbaarheid onder álle omstandigheden. Maar de mens moet veel strijd leveren om "altijd" dank te kunnen zeggen, "altijd" slechts "het ene" te willen. In1845 noteert hij daarover, enigszins gepeperd, omdat hij hier ook de prediking van de clergé op de korrel heeft:


"Wat betekent dat eigenlijk, dat ik God voor het goede dat Hij mij geeft moet danken? Ik neem aan, om de dominee terwille te zijn, dat ik bereid ben dit te doen. En waarom? Natuurlijk om het goede dat God mij geeft. Voortreffelijk! En welk soort goed? Natuurlijk voor het goede waarvan ik inzie dat het goed is. Halt! Als ik God dankvoor het goede waarvan ik inzie dat het goed is, dan hou ik God voor de gek. Want als mijn godsverhouding betekenen moet, dat ik tot gelijkvormigheid met Hem moet worden omgevormd, dan misvorm ik God in feite naar mijn beeld. Ik moet immers leren in mijn godsverhouding mijn eigen eindige verstandje op te geven. Is het soms "altijd God danken" als ik eenmaal per jaar op zondagmiddag, op de tweede zondag van de Vasten, bedenk dat ik God "altijd" danken moet en zelfs dat nog niet klaarspeel omdat ik toevallig die zondag met het verkeerde been uit bed gekomen ben? Maar hoe onbetekenender de dagelijkse ervaringen zijn, des te moeilijker is het, daarmee voortdurend de godsrelatie in verband te brengen".


Nadat Kierkegaard dus eerst de loftrompet gestoken heeft over de ongecompliceerde overgave en verwondering van het kind, dient hij vervolgens zijn motie van wantrouwen in:


"Als men de vroomheid van het kind dikwijls hoort prijzen, dan dient men toch enige voorzichtigheid in acht te nemen. Dat wat elk mens zich zou moeten wensen en wat hij tot zijn dood moet bewaren, is de innigheid waarmee een kind bidt. Maar in een andere zin is de kinderlijke godsvoorstelling allerminst een vrome. De moeilijkheid komt pas goed aan het licht als enerzijds de voorstelling van het blijde, het goede, het wenselijke, krachtig is ontwikkeld, maar anderzijds ook de zekerheid dat álles tenslotte op God moet worden teruggevoerd. Men kan nauwelijks spreken van volwassen vroomheid als de 'ernst' niet verder gaat dan het onderscheid tussen het behaaglijke en onbehaaglijke: zo komt niemand tot strijd in het gebed, als men slechts dank zegt wanneer alles naar wens verloopt en men direct met bidden ophoudt als dat niet het geval is" (V 155).


Pas wanneer alle wensen en vergelijkingen bestorven zijn, in het geloof dat álles meewerkt ten goede als men God liefheeft, wordt het gebed eerst waarlijk een gesprek met God. Spits illustreert Kierkegaard het tegendeel daarvan in de volgende tekst:


"Als een kroegbaas in de kerk zou zeggen: .,Ik ben niet als die anderen die krenterig precies de maat schenken; ik geef altijd meer en bovendien op Nieuwjaar nog gratis bier", dan is hij nog geen huichelaar. Want eigenlijk is hij alleen maar komisch omdat duidelijk is dat hij dan niet eens tot God spreekt. Hij zit alleen in zichzelf te praten àls kroegbaas, in vergelijking met collega's..."


Ook moet men zich niet te gauw in ge!often wagen ter vervulling van wensen, want


"... op die manier bindt men zich absoluut. Want als de wens niet vervuld wordt, staan God en ik daarmee nog niet quitte, immers alles moet aan Hem worden overgelaten. Ik van mijn kant heb me alleen maar aan mijn woord te houden. En dat moet ik elk moment vasthouden alsof het mijn enige wens was en blijft, zo ernstig en zo eeuwig mijn enige wens, dat ik het gewaagd heb daaraan een religieuze uitdrukking te geven. Want als ik een dag later alweer met een andere wens aankom en God er direct weer in betrek, zoals bange ouders direct naar de dokter rennen, dan houd ik God voor de gek en bewijs slechts dat ik maar een komiek ben. Weliswaar geen huichelaar maar iemand die meent, dat bidden tot God net zoiets is als wanneer een klein meisje haar pappie over de kin strijkt en zegt: "Toe nou, asjeblieft, krijg ik het nou?" " (V 225).


Zo ligt het begin van alle bidden niet in een plicht die men zich oplegt, noch in het kwantitatieve, maar in de verwondering over het fascinerende van de werkelijkheid, precies in dat vermogen waarin het kind altijd het voorbeeld voor de "verstandige" volwassene blijft:


"Ze zeggen dat bidden een plicht is, dat het goed voor je is, etc., en dan halen ze drie of vier argumenten aan. Nu ontzeg ik niemand het recht zijn redenen te hebben; als men mij maar dit ene laat: dat het besef te mógen bidden zo'n diepe vreugde losslaat, dat men in nog veel diepere zin dan Plato en Aristoteles kan zeggen, dat de verwondering het begin van alle wijsheid is. Daarom heb ik niet zoveel vertrouwen in al die argumenten en die zestien bewijzen. Het was misschien wel beter, vooral voor de sjieke wereld, - want armen en eenvoudigen hebben geen moeite met het gebed -, dat men ging invoeren dat het geld moest kosten om te mogen bidden. Dat zou de vraag enorm stimuleren. Want als van aardse liefde al geldt dat zij graag de eenzaamheid zoekt, dan geldt dat nog veel meer van het gebed, dat graag de eenzaamheid zoekt en verborgen blijft, om niet gestoord te worden of om de ander niet te generen met zijn bewogenheid.

Deze heilige verwondering dat God in de hemel de Enige is die niet moe wordt naar de mens te luisteren, zal degene die bidt verhinderen om eraan te twijfelen of hij wel krijgt waarom hij vraagt. Ook geen enkele schone verliefdheid vraagt zich af, "wat het opbrengt", want zo gauw het duidelijk wat opbrengt is het geen gelukkige verliefdheid meer. Het gebed is er niet om met God in discussie te gaan; het is een gunst die ieder mens genadig wordt geschonken. Daar ligt zijn ware adel. Elke uitwendige berekening maakt eo ipso een eind aan het gebed" (VI 326).


(1) Vertalingen: W.R. Scholtens. Teksten uit: "De onbekende Kierkegaard, zijn werken, zijn gebeden", Ten Have, Baarn, 1972.