Je kunt het niet leren


Speling 22:181-191, 1970

Sixtus W. Scholtens



Men kan een ander niet leren bidden, als men het zelf niet doet. Niemand heeft dat scherper doorzien dan Kierkegaard. Wat hij verder te zeggen had over bidden wordt in onderstaand artikel weergegeven.


Met satyrische spot stelt Kierkegaard het preken-over-het-bidden der professionals aan de kaak:

'Het onzalige van de hedendaagse toestand in de kristenheid blijkt ook al duidelijk uit dat gepreek, waaruit voortdurend indirekt blijkt, dat de priester niet existeert in datgene waarover hij praat. Ik heb nog nooit één priester horen preken over het gebed. Nauwelijks pleegt hijzelf minstens eenmaal per dag op vaste tijd te bidden, om nog maar niet te spreken over de gewoonte om God in alles te betrekken. Vandaar dan ook dat dit gepreek zich telkens weer, slag op slag, in datzelfde straatje van de trappen van vergelijking beweegt: 'bidt, bidt vlijtig, voortdurend, elke dag, ieder ogenblik'. Charmant! Maar de manier waarop dat gezegd wordt verraadt precies, dat hij daar zelf nog nooit aan begonnen is. Immers anders had hij op zijn duimpje kunnen weten, dat voortdurend beproevingen te voorschijn komen, dat verschrikkelijke, dat geen mens dit voor elkaar krijgt. Immers hij zou de krankzinnigste botsingen ervaren als hij God moet laten samengaan met de onbenulligste dingen als naar de kapper gaan, een nieuwe hoed kopen, ergens op visite gaan, enz. Daarom is al dat gepreek wezenlijk louter leugen. Het gaat met de priesters als met badmeesters die zelf niet kunnen zwemmen, maar op de loopplank instrukties geven: 'Sla maar gewoon met je armen', alsof men ook niet tè snel met de armen zou kunnen slaan, zoals iedere zwemmer wel weet.

Maar de kwestie is dat deze ziekelijkheid niet op direkte wijze te bewijzen valt (zoals op de manier van 2 + 2 = 4). Want het leerbegrip houdt zulke priesters geheel op de plaats in de orthodoxie. Maar precies daar schuilt de typisch-moderne schijnheiligheid: in de priester, die zich beroept op zijn orthodoxie of zijn ijver om nóg nauwkeuriger bepalingen tegen andersdenkenden op te stellen. 0 raddraaiers, om op deze wijze de aandacht van het allesbeslissende af te leiden'. 1


Opvoeding ontaardt tot apendressuur!

En als men al zou bidden, duikt er een tweede hindernis op die het leren-bidden tot een onmogelijkheid maakt: de hele opvoeding is rationalisatie geworden. Als diepste kwaal van zijn eigen tijd, de veertiger jaren der vorige eeuw, signaleert Kierkegaard de verziekte reflektie en de kwantitatieve! toename der verstandelijkheid. 'Zijn voortdurende klacht is 'dat er geen primitiviteit meer is, de mens vervreemdt van zijn eigen natuurlijkheid, de opvoeding ontaardt tot apendressuur van kinderen, die hun leven al moeten beginnen met enkele talen in hun hoofd te stampen'. De dwang der 'verstandige' publieke opinie omtrent de vraag 'hoe het hoort' is niets minder dan een abortus op het lef om zichzelf te durven blijven. Maar deze ontwikkeling wordt tegelijk het einde van kultuur én van kristendom.

De grote moeilijkheid, waarmee ook wij nog worstelen, wordt dan: hoe kan men, dwars door de reflektie heen zijn oorspronkelijkheid bewaren of herwinnen in een wereld waar alles met verstandigheid wordt afgemeten en waarin alle heil wordt verwacht uit het vergroten van inzicht? Louter verstandelijkheid leidt tot een mengsel van apathie en tegelijk sensatiezuchten tot een vorm van zelfverzekerdheid die zich heimelijk steeds autonomer verklaart en de voorwaarde van elk geloof ondergraaft. Tegelijk,door steeds toenemende mate van abstraktie (d.w.z. zelf in alle spekulatie buiten schot te blijven), verliest de mens steeds meer zijn vermogen tot kontakt met zijn eigen zintuigelijkheid, zijn eigen hart en pathos.

Wie maar weinig weet van ons hedendaags schoolsysteem, zoals het in feite draait, beseft hoezeer ook vandaag nog heel de school uit de 'Aufklärung' stamt. 'Als men statistieken had over het verbruik aan verstand, zoals men die heeft over cognac-konsumptie, zou men verbluft staan over de omzet die dat cijfer vandaag aangeeft, wat voor een enorm kwantum aan denken, kalkuleren en plannen-maken er in een doorsnee-familie nodig is, vooral ook voor de kinderen. Als men het pathos der kinderkruistocht als symbool der middeleeuwen kan zien, dan is voor onze kultuur de neuswijsheid der kinderen wel de maatstaf. Zijn er eigenlijk nog wel mensen die ook maar één keer een domme streek uithalen?' 2


Kontaktverlies met de werkelijkheid

Een derde moeilijkheid vloeit hier direkt uit voort. De rationalistische filosofie en de natuurwetenschappen produceren een onoverzienbare massa indrukken en meningen over van alles en nog wat, die de eenvoudige omgang met de dingen verpulvert, en waardoor men eenvoudig onmachtig is voorzichzelf of voor anderen nog iets te zeggen niet slechts over gebed, maar over alle werkelijk belangrijke waarden. De primitieve omgang met de plastische werkelijkheid is geheel afgestompt. '...de wetenschappelijke tijdschriften, en de kommunikatie, inmiddels verheven tot de vierde macht, maken de verwarring steeds groter. Alles ontwikkelt zich naar het uitwendige in plaats van naar binnen toe. Dan doet men in Europa de heerlijke ontdekking dat het 'overzicht' gevaar loopt: zo komen er dus kantoren met registers, weer registers op de registers enz. ... Dan komen de vaktijdschriften op en daarmee de middelmatige 'auteurs'. Door de geldzucht der uitgevers moeten de schrijvers koncessies doen, want nu is het de journalist die voor de massa schrijft. Maar daarmee zakt de echte schrijver de moed in de schoenen en neemt hij zijn toevlucht maar tot brochures en katernen.

Zo gaat het ook met de steeds oppervlakkiger kultuur der urbanisatie: van kindsbeen af heeft de mens geen indruk meer van zichzelf... op het land gaan er twee of drie koeien op één mens, in de grote steden duizend mensen op één koe. Als ik al deze onredelijkheid moet schetsen zeg ik: 'het is scheurbuik'. En wat is dan het middel? Groene primitiviteit! Maar dat zal offers gaan kosten! 3.


Dan maar weer bidden als een kind?

Uit deze verstandelijkheid kan geen uitweg worden gevonden door simpelweg terug verwijzen naar de eerste primitiviteit der oorspronkelijke beleving. Men kan niet doen alsof men nooit heeft nagedacht. De kinderlijke natuurlijkheid is te enen male onherhaalbaar; dit geldt o.m. ook van de onbevangenheid waarmee een kind kan bidden. Als de geloofsbeleving is verziekt door redenatie en het oorspronkelijk pathos van hartelijk bidden is verschraald door onophoudelijk reflekteren op het geloof (waardoor men ten laatste nog moet geloven dat men gelooft), biedt ook hier de terugverwijzing naar het primitief geloof van de Bretonse kolenbrander geen uitweg. Kierkegaard ziet de oplossing als volgt:

'Wat mijn tijd mankeert is primitiviteit. Daarom zijn er nu mensen nodig met nóg eminentere reflektie-vermogens dan welke tijdgenoot dan ook; mensen die het totaal weer achterwaarts terug kunnen reflekteren. Super-verstands-mensen met de heimelijke bedoeling om de verziekte reflektie aan zichzelf te laten vergallopperen. Want verziekte reflektie kan men niet rechtstreeks bestrijden, maar men moet haar op zichzelf te pletter laten lopen. Natuurlijk moeten deze supermensen hun eigenlijke voornemen verbergen onder het inkognito van spot en geestigheid. Maar zulks eist genieën die een evengroot pathos als reflektie bezitten'. 4


Deze 'profeten', even intelligent als primitief, zullen Gods jokers worden in de massale afval en vervreemding die het kristendom te wachten staat. Deze genieën, bewust prikkelend tot totale vervreemding, zullen het 'braakmiddel' worden, waardoor de verloren mens zodanig wordt geïsoleerd uit de terreur van wat 'men' doet en laat, dat hem niets overblijft dan zich naakt met zijn persoonskern terug te vinden voor God. Dit zal niet minder dan een 'verschrikkelijke reformatie' eisen. Uit de vervreemding wordt de mens alleen maar bevrijd als hij de tovermelodie geheel en foutloos van achteren naar voren kan spelen. Ook de organisatorische verzieking van het kloosterwezen ontkomt daar niet aan:

'In vroeger dagen was de expressie van het kristen-zijn het klooster. Thans is eerst weer het omgekeerde nodig en moeten we de kategorie van de enkeling weer invoeren om kristen te kunnen worden. Want deze kategorie van de enkeling wordt het nieuw soort klooster als alles door de reflektie ten gronde gaat'.


De revolutie van de enkeling

Het verdrinken in de massa en het verlies aan natuurlijkheid door overtrokken reflektie hebben tot gevolg dat de mens steeds minder tot kommunikatie, ook met God, in staat is, en bij gevolg ook steeds minder mensen in deze kommunikatie kan laten delen. Hij wekt ook niets meer op in de ander. Hij heeft geen 'karakter', geen unieke eigenaardigheid meer. Het vergroten van inzicht verergert alleen maar de kwaal. De oplossing ligt in de wil om te gaan existeren, het kontakt te hervinden met de wortels van het eigen ik. Dit sluit allereerst de moed in zich te gaan onderscheiden van de massa, het publiek en van de dwang van een verkalkte gevestigde orde. Geen reorganisatie of herstrukturering zal helpen zolang niet eerst de hartstocht, het waagstuk om het met je eigen vrijheid aan te durven, de mens tot enkeling isoleert.

Dit betekent niet minder dan dat er een revolutie nodig is in de enkeling en aldus ook in de gemeenschap. Met uiterste precisie bepaalt Kierkegaard het veel misbruikte woord 'revolutie'; het zal haast identiek blijken te zijn met het profetische en in zoverre werpt het ook helder licht op de vraag hoe hij de voorwaarden van authentiek gebed beziet. Enige kenmerken van het ware revolutionaire zijn 5:

'Als er maar hartstocht is, en dat is het revolutionaire, dan heeft elke expressie wezenlijk ook vorm, want vorm heeft innerlijkheid als essentie.' De revolutie, die door hartstocht gedragen wordt, is wezenlijk kultuur, want ook daarvan is innerlijkheid de maatstaf. Een verliefde keukenmeid draagt wezenlijk kultuur; zo ook een arbeider die protesteert vanuit een wezenlijk innerlijke beslotenheid'.

'De revolutie moet gewelddadig tegenover alles, behalve haar idee, kunnen zijn. Toch weet zij zich ook in te houden in een wezenlijk respekt, omdat zij het besef heeft, slechts re-aktie te zijn, en alleen maar zin heeft zolang die reaktie nodig is'. Hier zegt Kierkegaard nog van het klooster (dat ook wezenlijk een korrektief is): 'De eenvormigheid van het broeder- of zuster zijn is er de wezenlijke vorm van ... Maar tegenwoordig dreigt een louter formeel aanpassingsvermogen te ontaarden tot pure vormloosheid, omdat niets meer wezenlijke betekenis heeft, maar alles nog slechts een beetje zus-of-zo zin vertoont'. 'Omdat revolutie wezenlijk pathetisch is, is zij in staat te kiezen tussen goed en kwaad en komt zij tot beslissingen. Niet dat een gereflekteerde tijd krachtloos zou zijn; er is juist een enorme kracht, maar alles wordt verspild in de steriliteit der reflektie... Maar zo ontdekt de mens nimmer de wegsplitsing; alles drijft maar wat voort met een beetje beslissing hier en met wat toeval daar'.


Een 'venster' openen

Bidden vereist een konstant besef van waarde en onwaarde van de tijdgeest waarin men leeft. Er is geen gebed dat zich an de situatie kan onttrekken, omdat geen enkele vorm van kristendom dat kan.

Zoals het kristendom in, en toch niet van de wereld moet zijn, is ook bidden enerzijds geen ontstijging aan de aarde, maar anderzijds ook weer wel, en wel precies krachtens een diepe verworteling in de aarde, aan de mens. Dit klinkt als een tegenspraak. Misschien verheldert daarom het beeld van de ruimtevaart dit enigszins. Het bidden verheft de mens zó boven de aarde, dat hij in een allesomvattende blik de geringheid van de aarde en de grootheid der kosmos schatten kan. Maar het bidden mag niet doorschieten in de fantastische oneindigheid; dit laatste verwijt Kierkegaard nog al eens aan de mystici. 'Anderzijds moet het bidden juist zodanig door de aarde worden aangetrokken, dat het wezenlijk aards blijft.

Eén stap buiten dit subtiele evenwicht, en naar twee kanten duiken dodelijke gevaren op: ofwel dat men de realiteit verliest en in het oneindige wordt weggeslingerd, ófwel dat men aan de aarde blijft kleven 'als vette tamme ganzen die met Kerstmis worden geslacht', of af en toe eens machteloos omhoog fladderen om met een smak weer neer te komen.

Dit 'venster', zoals de ruimtevaart het noemt, of 'de enge poort' waarvan het evangelie spreekt, is door Kierkegaard met pijnlijke precisie bepaald, heel de problematiek van horizontalisme en vertikalisme, van aktie en kontemplatie als een schijndilemma ontmaskerd. Het ligt gedefinieerd in zijn stelling dat het kinderlijke (maar voor een kind authentieke) godsbeeld, van een Sinterklaas die voor mooi weer zorgt, moet worden verdiept met (niet: vervangen door) de enige plaats waar God voor de volwassene te vinden is: in het diepste innerlijk van zijn eigen originele en onvervreemdbaar heilige persoonskern, in het watermerk van onze eeuwige oorsprong. (Men hoort hier Robinson al spreken).


Het wezen van de mens is Godsrelatie

Wie het eeuwige in zijn bestaan niet door laat klinken (personare), wordt nooit persoon. Het wezen van de mens is ten diepste godsrelatie. Daarom is de laatste noemer van alle menselijke kreativiteit de aktieve ekspressie van schepselijke dankbaarheid d.w.z. gebed. Omdat de godsrelatie de wezenstrek van het menszijn is, is ook niets méér eigen aan de kunst zichzelf te zijn dan het gebed. Het dankgebed is niet slechts de aanvang van het bidden, maar het blijft de kern van alle gebed. Danken is bidden-zonder-meer; maar dan geladen met die intense innerlijkheid die de vrucht is van lange jaren strijd en berusting.

Danken is meer dan af en toe zijn hart eens tot God te verheffen, zoals ook de Spitsburger doet als hem de maaltijd goed is bekomen, het is de vrucht van een onverschrokken volharding in de 'dubbele reflektie', die de houding van degene die ook totaal existeert in wat hij voor waar houdt. Altijd en onder álle omstandigheden God te kunnen danken, is een vermogen dat de mens pas geschonken wordt aan de 'overzijde' van het hardnekkigste volharden én de meest-gerijpte overgave in het besef van eigen onmacht dat precies in dat volharden verworven is. De oude Adam komt de beklemming in het noodlot pas te boven in de genade van Kristus, in Wie het, -ook psychologisch gezien-, pas mogelijk is totale ontspanning te vinden: 'vouloir, ce n'est pas se crisper, mais se détendre'. Dit is meer dan het gedrag vande pastoor die zijn retraite-voornemen gestalte gaf in een steen op het kerkhof met het opschrift: 'Hier rust mijn oude mens' en die zijn kapelaan al drie dagen later noopte met een beitel naar het kerkhof te gaan: 'En hij is verrezen op de derde dag'.

Dankgebed is méér dan onze intermenselijke dankbaarheid die af en toe ook God er eens in betrekt. Want als dit alleen danken was, kon de dankzeggingook nimmer wezenskonstitutief van de mens zijn. Het woord 'dankzegging' geeft pas weer wát het is, is pas authentiek, als het de expressie is van het totale menselijke zijn en dit is: dat hij in een innerlijke verhouding tot God behoort te staan. Eerst deze intensiteit maakt de mens tot mens, stelt hem in staat zichzelf te worden, openbaart hem dat de kern van zijn eigen vrijheid de vindplaats is, waar hij God ontmoeten kan. Daarom kan men God ook nooit danken 'in de derde persoon' en is God nimmer a.h.w. de derde partij in een uiting van dankbaarheid. Immers van God komen álle goede gaven.


Ons wezen is bidden

Hoe komen wij nu tot deze stelling dat bidden de kern van het menselijke wezen is? Hoe is God medespeler, ja de kern van de menselijke zelf-ontplooiing? Het steunt op de (gelovige) hypothese dat de mens is opgebouwd uit kwalitatieve tegenstellingen als lichaam en ziel, tijd en eeuwigheid, het betrekkelijke en het absolute, die pas door te gaan existeren in de synthese komen. God doet meer dan de mens eerst verschuldigd te maken, om vervolgens zijn dankbaarheid af te wachten: God is zowel subjekt als objekt van dankzegging, klinker én medeklinker in het verzuchten van de Geest die' Abba' zegt in ons. Danken is de expressie der volharende innerlijkheid en deze innerlijkheid is dé bepalende faktor, het eeuwige in de mens: Als niet elk mens participeert aan het absolute, is alles verder kletskoek'. Maar precies in en door dit deelhebben aan het absolute blijft het kwalitatief verschil tussen de dankbare mens en zijn God juist overeind staan. Maar hoewel God steeds 'een oneindigheid op ons vooruit is', kan en moet de mens toch ook kinderlijk antwoorden op de gave van God, die hij ontmoet in zichzelf. Want niet alleen vrees en beven maar ook (en even wezenlijk) zijn overgave en vertrouwen de polen van de godservaring. Kierkegaards eigen godservaring wortelde diep in de overtuiging' ... dat God nimmer bruutweg Zijn gaven terugneemt met de woorden: 'Kom op, dit is mijn eigendom'.

Samen met de grootste inspanning tot dienst aan God, blijft de waarlijk- innerlijke mens toch ook zo doordrongen van eigen betrekkelijkheid (uitgedrukt inde humor naast de ernst), dat hij weet dat tegelijk alles van God en van hemzelf afhangt. Deze kontradiktie is met denken en praten niet te overwinnen, maar zij is slechts te verzoenen in het voortdurend existeren-in-innerlijkheid. En daarvan is bidden o.m. de authentieke expressie. Zo drukt het authentiek gebed die konstante spanning uit, waarin alle leven, kultuur, en geloof slechts authentiek is.


Staan in het spanningsveld

Slechts in de pijnlijke hergeboorte van de relativering van het relatieve en de absolute hartstocht voor het Absolute, voor God, vindt de mens zijn diepste 'zelf' en daarin vindt hij God. Dit spanningsveld noemt Kierkegaard met een zeer treffende term het 'interesse' en alleen ín dit 'tussen' kan hij zichzelf zijn in zijn diepste oor-sprong. Eerst daar, in het 'inter-esse' tussen eindigheid en oneindigheid, versmelt de essentie van het menszijn met de definitie van het gebed, tw.: de expressie te zijn van het volhardend inter-esse tussen tijd en eeuwigheid.


Synthese van twee polen

De 'werkelijkheid' is niet slechts de brute realiteit, maar moet de synthese worden van 'mogelijkheid' (eeuwigheid, onbeperktheid) en van 'noodzakelijkheid" (mijn situatieve feitelijkheid, die ik ten onrechte vaak al werkelijkheid noem). Uit deze twee polen is het menselijke opgebouwd. Ik ben, door het vermogen van fantasie en spekulatie (de kontaktfunkties met het absolute, of, in het eerder gebruikte beeld: de stijdkracht van de raket), altijd al méér dan mijn aardse fakticiteit. Maar 'werkelijk' word ik pas wanneer ik ga existeren in het 'tussen' van wat ik noodzakelijkerwijs bén, en idealiter worden moet. Kortom, door te gaan existeren in mijn mogelijkheden, zonder weer zó hoog op te stijgen dat ik 'verwaai' door fantasterij of abstrakte spekulatie of door 'mystieke' negatie van de binding aan de aarde.

Een grondige revisie van de religieuze ervaring vraagt veel geduld. Pas daarna komt er de ruimte om duidelijk te maken, wat zo gemakkelijk van de preekstoel wordt gezegd, dat het gebed alles overwint. Wat overwint het gebed? Het gebed is wezenlijk de overwinning op alle menselijke stranden op de klippen van de tijdelijkheid, op de existentiële angst. Immers het gebed is de onophoudelijke expressie van geloof, d.i. van het waagstuk om tegen alle schijn in, aan onze natuurlijke beperktheid tóch een absolute zin te geven. Ook het geloof is de synthese van twee polen: enerzijds aanvaard ik mijn feitelijkheid als voortkomend uit Gods wil Die mij deze bepaalde situatie geschonken heeft, anderzijds is het laatste doel van het geloof God, Wiens 'definitie' luidt dat alles altijd mogelijk blijft. Zo valt mij in het geloof op voorhand reeds de eeuwige zaligheid toe en overwin ik, staande in het nu, de toekomst als bedreiging.

Zo verbant het geloof de angst en konstitueert het verschil tussen noodlot en voorzienigheid. Wie 'ademt', bidt, in de synthese van het geloof, beleeft het heden niet meer als een vervlieten van momenten, maar hij leeft reeds, op voorhand, in de 'volheid der tijden' of in dat 'heden' waarvan de liturgie altijd gezongen heeft. Dit 'heden' is Kristus, dé synthese, hét Inter-esse tussen mens en God.


Leren bidden?

De vraag hoe men een ander kan helpen om te leren bidden, wordt door Kierkegaard uitvoerig beantwoord in zijn vele overwegingen over de kunst van het mededelen van waarheid. Zolang het om kinderen gaat, in wie de 'voorwaarde nog ontbreekt om hun 'zelf', hun 'innerlijkheid' als eis en opgave te ontdekken, is de overdracht met het woord of het verhaaltje het punt dat voorop staat. Het kind moet eerst nog heel de gegevenheid assimileren.Het kent God nog slechts 'van de buitenkant', naar de analogie met zijn ouders. Maar dan komt de krisis der zelf-wording, waarin God wordt geïnterioriseerd, beginnend met de vraag wat de mens met zichzelf dient aan te vangen en welke zin hij moet geven aan het feit dat hij slechts bestemd schijnt voor het lijkenhuisje. In dit stadium geldt ook een andere methode van leerbaarheid. Wat eerder een weten omtrent waarheid was, moet nu uitlokking tot doen (tot toeëigening) van waarheid worden. Dit laatste noemt Kierkegaard de indirekte mededeling.


In het spoor van Socrates beoefent hij op geniale.wijze deze methode van opwekking tot verwondering, zelfbevraging, toediening van 'braakmiddelen'en van stimulering om, - als een vroedvrouw -, in de diepste eigenheid van de naaste diens eigen vrijheid vrij te maken. Want 'niemand kan van zijn 'zelf' slechts oom blijven; ieder moet van zijn eigen 'zelf' zijn eigen vader worden'.

Heel het oeuvre van Kierkegaard is volgens deze methodiek opgebouwd, telkens spelend met polen van tegenspraak, waarin hij aan de lezer zelf uiteindelijk de keuze overlaat, hem langs tientallen wegen provocerend om 'zichzelf ter hand te gaan nemen'. Daarom is zijn werk zo verschrikkelijkgekompliceerd in de konstante konfrontatie van grofste liederlijkheid me tideaalste heiligheid. Maar anderzijds daardoor ook van dien aard, dat men er nooit meer af kan blijven als men er eenmaal aan begonnen is. Alles eindigt onophoudelijk resultaatloos, opdat het enig resultaat van heel het oeuvre: 'die ene persoon zal zijn, die ik met vreugde en dankbaarheid mijn lezer noem', t.w. de lezer die nooit wil vergeten om het geschrevene ook in daden om te zetten.

In een simpel voorbeeld illustreert hij die twee methodieken betreffende begrepen en voltrokken waarheid (of: gebed als woord én als orthopraxis) als volgt: 'Wetenschap kan men er bij iemand instampen, maar aesthetisch kunnen en meer nog ethisch kunnen, kan men er alleen maar uitstampen.

De korporaal zegt van het boerenjoch dat nog maar potentieel soldaat is: 'Daar zal ik wel 's even een soldaat uitstampen'. Maar als de rekruut in zijn ‘handboek soldaat’ zit te lezen, dan zal die korporaal zeggen: 'Dat zal ik er wel even bij hem instampen'.


1 Søren Kierkegaards Papirer, IX A 198.

2 Søren Kierkegaards Samlede Vaerker, (eerste editie), VIII 65 e.v.

3 Søren Kierkegaards Papirer, VIII 2B 87, pag. 172 e.v.

4 Søren Kierkegaards Samlede Vaerker, VIII, 64 e.v.

5 Ibidem, VIII, 6S e.v.