s. aabye kierkegaard

Teksten over doel en methode van gebed


Tijdschrift voor Geestelijk Leven 27: 259-266, 1971


S. Scholtens o. carm.


Bidden is een subtiele zaak. In elke verhouding spelen drie factoren: de twee die zich tot elkaar verhouden en het verloop van de relatie zelve. Zo zijn er in het bidden reeds drie ontsporingen mogelijk: a) ik heb geen juist beeld van God (de Al-goede); b) ik zie mezelf, mijn eigengeluk, verkeerd; c) het verloop van de verhouding is verstoord, doordat ik me te ver in het eindige of te ver in het oneindige waag.


Het is hoogst merkwaardig dat het eenvoudige zo ingewikkeld kan zijn. Laat ons een voorbeeld nemen uit de religieuze sfeer: het bidden. Dit is immers een hoogst eenvoudige zaak, men zou zeggen: zoiets als je knopen vastmaken. En toch: hoe moeilijk is het.

Intellectueel gezien moet ik, om te beginnen, al een uiterst duidelijke voorstelling hebben van God en van mezelf, van mijn verhouding tot God en van het dialectische in het gebed. Anders zou ik immers God gemakkelijk met iets anders kunnen verwisselen; maar dan zou ik niet tot God bidden. Voorts mag ik ook mezelf niet met iets anders verwisselen, anders bid ik weer niet. Zo moet ik in de gebedsverhouding zowel het verschil als de verhouding goed in het oog houden. Kijk eens, verstandige echtelieden geven toe dat ze een dagelijks samenzijn van maanden en jaren nodig hebben om elkaar werkelijk te leren kennen. Toch is de kennismaking met God oneindig moeilijker. Want God is niet iets uiterlijks, zoals ik mijn vrouw kan vragen of ze wel met mij tevreden is. Als ik in mijn Godsverhouding meen dat het goed is wat ik nu doe en niet let op het mogelijk wantrouwen van de Oneindigheid tegenover mijzelf, dan komt het mij natuurlijk voor dat God wel tevreden met mij is. Maar God is niet iets uiterlijks, doch de Oneindigheid zelve, niet iets uiterlijks dat met mij gaat strijden als ik onrecht doe, maar de Oneindigheid zelf, die helemaal geen scheldwoorden nodig heeft, maar zich toch verschrikkelijk wreekt, n.l. hierdoor, dat God voor mij dan helemaal niet bestaat, ondanks het feit dat ik bid.

Bidden is dan ook nog handelen. Ach, Luther was toch in dit opzicht een ervaren man en hij zou gezegd hebben dat hij niet eenmaal in zijn leven zó innerlijk gebeden heeft, of intussen had hem toch een of andere storende gedachte verstrooid. Zo zou men haast geloven dat bidden net zo moeilijk is als de rol van Hamlet spelen, waarvan een groot acteur eens gezegd heeft dat het hem één keer bijna gelukt was ... (VII 134).


- De directe Godsrelatie is iets esthetisch en bewijst dat de mens zich eigenlijk niet eens tot God verhoudt, maar een relatie wil naar eigen voorstelling van geluk of ongeluk. Als n.l. een mens niet met zekerheid weten kan óf een ongeluk wel iets kwaads is (de onzekerheid der Godsrelatie houdt immers precies in dat men God altijd dank zegt), - hoe kan hij dan met zekerheid weten of datgene wat hij geluk noemt wel iets goeds is? De ware Godsrelatie kent maar één garantie: dat is de Godsrelatie zelve. Heel de rest is dubbelzinnigheid.

De grote toneelspeler Seydelmann, die eens in de Opera ,,unter einem Jubel der mehrere Minuten dauerte" werd geëerd met een lauwerkrans, dankte God daarvoor innig toen hij thuiskwam (aldus in Rötschers biografie). Maar de innigheid waarmee hij dankte bewijst precies dat hij God niet dankte. Hij zou zich met dezelfde hartstocht waarmee hij nu dankte, tegen God hebben opgezet als hij was uitgefloten. Als hij waarlijk op religieuze wijze dank had gezegd, d.i. aan God, dan zouden hem het Berlijnse publiek, de lauwerkrans, en de ,,mehrere Minuten dauernde Jubel" in de dialectische onbepaaldheid van het religieuze, volkomen dubbelzinnig zijn gebleven (VII 388).


- De spitsburgerlijkheid is eigenlijk het onvermogen om zich boven tijd en ruimte te verheffen. Daarom werpt zij zich met zo'n gemak op de allerhoogste dingen als bijv. gebed op bepaalde tijden en met bepaalde formules (I A 290).


-Ik heb vaak gedacht of ik bij een dankgebed niet vooral bang was om de gave te verliezen, zodat mijn gebed veeleer een soort afpersing was, in plaats van die religieuze zekerheid die heel de wereld overwonnen heeft (II A 201).


- Als ik me goed herinner is het in ,,Minna von Barnheim" dat Lessing een der personen laat zeggen dat een zucht zonder woord de beste wijze is om God te aanbidden. Dat klinkt wel vroom maar het betekent eigenlijk: dat men zich niet behoort in te laten, of zich niet mag inlaten met het eigenlijk-religieuze, maar er hoogstens eens af en toe naar moet staren als naar de grenzen van het bestaan, ,,ins Blaue hinein". Zo gauw men zich n.l. met het religieuze inlaat tot dágelijks gebruik, dan melden zich direct de beproevingen(V1 A 2).


- Het is een wanverhouding tussen innerlijkheid en rijpheid wanneer men steeds maar klaagt en net als een kind God alleen maar dankt als men in de loterij gewonnen heeft, terwijl men voor de rest niet het minste verdragen kan. Hier komt de moeilijkheid van volhardende strijd te voorschijn: want in het diepste innerlijk woont niettemin de gedachte dat alles ons tot God moet voeren. En het is precies deze innerlijkheid van die diepste gedachte die ons tot bidden moet brengen (V B227,2).


- Er komt voor ieder steeds een tijd van volwassenheid waarin God niet langer in cultus aanbeden wenst te worden op kinderlijke manier. God eist geen kleinigheden. Hij eist een hogere vorm van liefde. God zegt tot zulke mensen: ,,Het wasje tot nu toe vergund om Mij op die manier te beminnen, om werkelijke verwantschap met Mij te ervaren. Maar nu zul je toch een keer moeten afsterven" (X 5 A).


- Het is toch verschrikkelijk met die relativiteit van begrippen: dat twee mensen, menselijk gesproken, God voor precies het tegengestelde kunnen danken. De Pruisen organiseren een grote gebedsdag met diensten en preken om tot uitdrukking te brengen dat hun godsvrucht aan God welbehaaglijk is geweest. Visby daarentegen preekt dat God allen moet straffen voor de goddeloosheid om op Pasen een veldslag te leveren. Zo kunnen de begrippen van recht en onrecht heen en weer. En het ongeluk is, dat men, menselijk gesproken, van beide kanten goede bedoelingen heeft (Visby preekte op19 mei 1848 in de Verlossingskerk te Kopenhagen) (IX A 31).


De bovenstaande teksten illustreren hoe gemakkelijk een mens zich vast rangeert met datgene wat hij afsmeekt en met de wijze waarop hij het doet. Het enig ware ,,object van het gebed kan dus alleen maar God zelf zijn, in wiens Voorzienigheid ik mij geborgen weet. Dit geloof is echter gemakkelijker met de mond beleden dan in de existentie. Enige maatstaf voor dit laatste heeft de mens in de vraag hoeveel woorden hij nog nodig heeft in zijn gebed; evenwel weer met deze bemerking dat een ,,vrome zucht" zoals die door Lessing hierboven omschreven werd, geen bewijs is van verstilde innerlijkheid, maar juist van een nog infantiele spraakloosheid. Om nu nader kaf en koren in de gebedsverhouding zelve weer te scheiden, volgen hier weer enige overwegingen:

- Het positieve is hoger dan de overtreffende trap. Eenheid is hoger dan het getal. Het eenvoudige is hoger dan het veelvuldige. Dat zulks waar is, blijkt duidelijk uit het volgende :ieder zou het ongepast vinden om God te danken met uitdrukkingen als ,,Duizendmaal dank", ,,Heel erg bedankt".Men zegt alleen maar - en daarin drukt zich precies alle hartstocht uit - ,,Dank, o God !" (X 1 A 639).


- Hoe meer men bidt, des te zekerder wordt het, dat het je laatste troost is dat God bevolen heeft dat je moet bidden. Want God is zo oneindig dat men menigmaal nauwelijks zou durven bidden, hoe graag men ook zou willen. Maar door bidden komt men ook gemakkelijk in een verhouding tot God ; anders zou God de mens geheel kunnen overweldigen (IX A 192, 193).


- Het is een juiste opmerking van de Ouden dat bidden als ademhalen is. Hier blijkt dan het domme van de vraag ,,Waarom?". Want waarom haal ik adem? Omdat ik anders stikken zou, en zo is het ook met bidden. En zoals ik me niet verbeeld dat ik met mijn ademhaling de wereld hervorm, maar zoals ikzelf de vitaliteit reproduceer en vernieuwd word, zo staat het ook met bidden en de verhouding tot God (IX A 462).


- De onmiddellijk-zintuiglijke mens beeldt zich in over zijn gebed dat de hoofdzaak is, dat datgene waar hij vooral op aan moet sturen, is: dat God luistert naar datgene waar hij om bidt. Maar in het licht van de eeuwige waarheid ligt de zaak precies andersom: de ware gebedsverhouding is niet dat God luistert naar wat ik vraag, maar dat degene die bidt daarmee zolang doorgaat, totdat hij is omgevormd tot degene die luistert en verneemt wat God wil. Daarom gebruiken de zintuiglijk-ingestelde mensen ook zulke massa's woorden en zijn zij het die de eisen stellen. Maar de ware bidder luistert alleen maar, hij is de horige (VII 1 A 56).


- Als alles op ons afstormt, als alles wankelt, komt het aan op die soepelheid, die met heel haar hart kan zeggen: alle gaven zijn goed wanneer zij in dankbaarheid worden aanvaard. Wij hebben in die dankbaarheid en met die dankbaarheid de wereld overwonnen (111 A 143).


- Een voorbeeld van geloven waarbij alles erop aankomt om het nadenken terzijde te stellen :De religieuze opgave is niet: dit of dat vol te houden, of te gaan werken voor dit of voor dat, kortom niet zozeer de situatie waarin ik God om bijstand bid en tegelijk direct mijn aandacht richt op iets concreets dat mijn opgave is. Neen, laat de opgave maar worden: dit concrete eerst eens geheel te vergeten. Innerlijke ervaring brengt n.l. tot het inzicht dat een mens op veel manieren in conflicten kan geraken. Daarbij is het allergevaarlijkste dan: dat men maar blijft denken aan datgene wat men precies vergeten moet ; maar aldus wroet men zich steeds vaster. De opgave is veeleer om er zo ver mogelijk vandaan te komen en in stille ootmoed te leren berusten. Ja heel de opgave is: te vergeten. De waarlijk religieuze mens smeekt Gods bijstand en hulp dan vooral af om te vergeten. Daarbij dreigt onmiddellijk het gevaar dat het gebed breedsprakig gaat worden: de woordenvloed is dan de angst dat men niet instantelijk genoeg smeekt. Maar zo ontstaat precies het tegendeel en wordt men voortdurend méér herinnerd aan datgene wat men precies vergeten moet.

Hier komt alles aan op één vertrouwvolle diepe zucht die zich door God in een seconde laat vatten om dan verder alles aan de vergetelheid over te laten. Het breedsprakige bidden is overigens vaak heimelijk gebrek aan vertrouwen. Zo kan een mens uit dit soort van gevallen leren dat hij zich zo snelmogelijk in het intensiefste vertrouwen tot God moet wenden. Hier is gebed: een stille en vertrouwvolle overgave aan God. Hierin bestaat de ware opvoeding tot bidden en het enige gevaar is hier breedsprakigheid. Toch blijft het weer een vraag of diep en innerlijk en volhardend verkeer met God weer nietgemakkelijk ontaardt in een excuus om tot handelen over te gaan. Het gebed geeft zaligheid en dat mag ook. Maar anderzijds leidt het er gemakkelijk toe dat men zich gaat nestelen in die zaligheid. Door zulke tegenspraken kan een mens tot het inzicht komen dat er aan het gebed altijd twee kanten zijn (X2 A 595).


- Helemaal ,,Amen” op een gebed te kunnen zeggen, o hoe zelden, hoe uiterst zelden gebeurt dat, zelfs bij iemand die ijverig en onophoudelijk bidt. Zoiets is nog zeldzamer dan het ogenblik in de liefde dat de minnaars voor elkaar absolute idealiteit zijn. Ik bedoel zo ,,Amen” te kunnen zeggen, dat men er niet één woord meer aan toe te voegen heeft, maar dat juist één woord geheel tevredenstelt en verzadigt, n.l. ,,Amen”; zó, dat heel de drang van de geest na het gebed tevreden wordt gesteld, dat men alles gezegd heeft wat er op het hart lag, d.w.z. men zichzelf voor het Aanschijn van God, in al z'n zwakheid maar ook met alle hoop, doorzichtig is geworden. Maar er komen ook momenten in het leven voor, en wellicht vaak, dat alle taal niet toereikend is om uit te spreken wat de pijn veroorzaakt, niet voldoende om lucht te geven aan wat ons op het hart ligt. 0, eveneens zo'n ogenblik, van wel heel andere aard, maakt de taal overbodig, zodat het niets geven zou dat men alle taal vergeten was, aangezien men geen enkelwoord meer nodig heeft, niets meer heeft toe te voegen, als dit ene: ,,Amen” (IX A 24).


- Stel je eens een meisje voor dat bemind wordt. Wat zou haar dan het liefste zijn, denk je: dat de geliefde op zondag, als hij niets te doen heeft, aan haar denkt, - of dat hij op het drukste ogenblik, zonder ook maar iets van zijn taak te verzuimen, ook nog tijd vindt om aan haar te denken? Zo gaat het ook met het gebed: dat in de drukte van de dagelijkse bezigheden is Hem het liefst en het meest behaaglijke (IX A15).


- Precies omdat God geen object kan zijn voor de mens, omdat God subject is, dringt ook het tegendeel zich absoluut op: als iemand God loochent, dan doet hij God geen schade, maar vernietigt hij zichzelf. Wie God bespot, bespot zichzelf. Hoe zuiverder een mens is, des te minder zal hij ook zijn medemens verobjectiveren; toch is hier natuurlijk steeds een oneindig verschil van kwaliteit (VII 1 A 201).


- Al dat gepraat dat je God moet danken dat je niet blootgesteld wordt aan verdrukking, dat je goede dagen zult beleven enz., wordt zo gemakkelijk zelfbedrog. Eigenlijk maakt dit soort van gedachten van God een kruidenier die zijn klanten niet gelijk behandelt, die geen vaste prijzen aanhoudt en aan de een duur verkoopt en aan de ander onder de toonbank door. Verder is het zelfbedrog als men zich verbeeldt dat men het hoogste geniet als men maar van lasten gevrijwaard is. Iemand die zo bidt, heeft klaarblijkelijk nog niet begrepen dat het hoogste het hoogste is en dat het daarom tot elke prijs gekocht moet worden (VII 1 A 213).


- De verhouding tussen mens en God is heel eenvoudig alsvolgt : de mens kan niet van God verlangen dat God hem een openbaring geeft of iets dergelijks. Neen, de mens moet de vrijmoedigheid hebben om zichzelf te zijn. En als hij dat niet kan, dan moet hij eerst om die vrijmoedigheid bidden. Deze bestaat in de overtuiging, niet dat ikzelf gewichtig ben, maar dat Gods liefde zo oneindig is, dat volkomen vaststaat, dat Hij die de haren op mijn hoofd kan tellen, zich óók om mij bekommert... Vervolgens gedraagt de mens zich dienovereenkomstig. Als het hem niet duidelijk is wat hij in het leven wil, dan moet hij zich vervolgens beraden om dit of dat te doen en niet wachten totdat God zal ingrijpen om hem te verhinderen iets doms te doen. Neen, de mens doet het dus. Maar terwijl hij het doet, moet hij God aanroepen en Hem zeggen: ,,Zo handel ik in deze zaak ;het is best mogelijk dat ik nu iets doms uithaal, maar momenteel weet ik niet beter. Ook weet ik dat ik mezelf niet langer bedriegen kan en dat er gehandeld moet worden. Dus doe ik het. Maar daarom zeg ik het ook tegen U en roep ik U aan: U bent immers mijn Vader en U hebt een liefde die mijn begrip te boven gaat. En als ik dan, voor ik het goed besef, a1 handel, dan geef ik mijn actie en mezelf in onvoorwaardelijke gehoorzaamheid over aan U. Doe er dan maar mee wat U wilt. Want ik weet zeker dat het allerdomste wat ik uithaal op die manier toch nog goed afloopt". 0, het is een voorrecht dat een mens zo geholpen wordt en dat die hulp louter liefde is (IX A 182).