Schriftmeditatie bij

sören kierkegaard (†1855)


Tijdschrift voor Geestelijk Leven 31: 233-241, 1975


Sixtus Scholtens, o.carm.


Weinig auteurs over christelijke spiritualiteit hebben inde vorige eeuw zoveel en zo diepzinnig over meditatie geschreven als de Deen Sören Kierkegaard. Het doel van meditatie is bij hem allereerst zelf-verheldering,"transparant"-worden uit je eigen troebelheid. Eerst in en door deze inkeer tot zichzelf komt de mens steeds dichter voor God te staan. De "Godsverduistering" voor de hedendaagse mens is voor Kierkegaard in wezen "zelf-vervreemding". De mens heeft de weg naar de "vindplaatsen van God" verloren. De natuur en ook de rede, eertijds zulke vanzelfsprekende wegen naar God, schijnen niets meer te zeggen omtrent God. Dat hangt samen met het feit, dat wij veel van wat wij vroeger direct aan God toeschreven, nu wetenschappelijk kunnen verklaren. Maar de kern van het probleem ligt vooral in het feit dat de toegang tot de allereerste "vindplaats van God", ons eigen innerlijk, verstopt is geraakt. De oorzaak daarvan ligt o.m. in de steeds toenemende veruiterlijking die de westerse beschaving ons opdringt. Daarom besteedt Kierkegaard reeds vele regels aan inkeer en stilte, datgene wat alleen nog maar voorwaarde is voor religiositeit. Haast profetisch voorziet hij reeds, in 1846, dat er "... straks niemand is die nog spreekt; een objectief ding schift dan wat atmosferische dampen af, een soort anoniem geklets, dat alle menselijke spreken onmogelijk maakt" (S.V. VIII 97): een profetie van de huidige radio-kakofonie.

Even eenvoudig als treffend zet Kierkegaard in het volgend citaat de drie "vindplaatsen" van God op het juiste rijtje: "Gods wijsheid en goedheid liggen in de natuur en voor het verstand toch niet direct voor je neus. Natuurlijk: heel de schepping is Gods werk. Maar toch is God daar nog niet, zolang Hij niet eerst in de innerlijkheid van de mens openbaar wordt. En ook dat is alleen nog maar een mogelijkheid. Wie Hem daar eenmaal heeft ontmoet, ziet Hem vervolgens ook overal" (Wijsgerige Brokken). God dringt zich dus niet op : eerst door meditatie wordt de "mogelijkheid" waarvan Kierkegaard in dit citaat spreekt "werkelijkheid". En deze werkelijkheid is die vorm van zelfverstaan, waarin de mens geheeld wordt uit de verbrokkeling van de drie "tijden" waarin hij bij wezen existeert.


De tekenen des tijds verstaan

Deze eis van Christus betreft niet alleen de tijd van nu. Dat is nog geen "volheid der tijden". Behalve het nu zijn er ook nog verleden en toekomst. Pas hij die deze drie samen harmonisch beleeft, staat in de "volheid der tijden". Een voorbeeld maakt dit duidelijk: goede chauffeurs bepalen hun positie "hier en nu", door tegelijk steeds ook in de achteruitkijk-spiegel (verleden) en ver voor zich op de weg te kijken (toekomst). Er is dus a.h.w. een drievoudige blikrichting. Maar de mens "verbrokkelt" graag deze volheid door er een eenzijdige keuze uit te doen. Daarom zijn er drie soorten stilstaanders: a) actualisten b) conservatieven en c) fantasten of uitstellers.


Contemplatie (re-collectie)

Een belangrijke doelstelling van contemplatie is: zich uit de verbrokkeling samenrapen tot nieuwe heel-heid. Voor de gelovige is het symbool van die heelheid Christus. Hij is de "volheid der tijden", volledig gaaf. Zoals de mens, om zichzelf te worden, zijn naaste verleden moet beschouwen, om de dag van morgen aan te kunnen, - zo moet de christen terug op Christus. Naar Christus leidt maar één weg: 'de Schrift. Nu is de Bijbel zeker geschreven om ons ook feiten-van-toen mee te delen. Maar het eigenlijke doel is: mezelf beter te verstaan in die spiegel van het Woord. In de mate dat me dat gelukt, word ik "gelijktijdig" met Christus, door mezelf terug te plaatsen naar de jaren 30 na Chr. Toch is dat maar de helft van de meditatieve weg van "heel de mens". Ik moet, met Christus, terug naar het heden; dit is in veel opzichten weer een heel andere tijd, met andere eisen.


Gelijktijdigheid

Kierkegaard noemt de vrucht van deze dubbele beweging "gelijktijdigheid". Dat is geen begrip van klok of kalender, het is de actuele "werkelijke tegenwoordigheid" van mij voor Christus en van Christus voor mij. Pas zo is ook de toekomst niet langer een bedreiging, want, in de volmaaktheid van Christus, is deze reeds op voorhand overwonnen.


Schriftmeditatie bij Kierkegaard

Heel het leven en werk van Kierkegaard is doordrenkt met de H. Schrift. Elke dag mediteerde hij een uur, waarbij hij onder geen beding gestoord mocht worden. Wat hem in zijn eigen tijd verontrust (van welke tijd geldt dat overigens niet), is dat exegese en prediking zich te veel in de "achteruitkijk-spiegel fixeren". Natuurlijk weet hij dat exegese nodig is om het vreemde van taal en leven van een geheel andere tijd dan de onze toegankelijk te maken. Maar hij argumenteert nimmer met de bekende trefzekere dooddoener van die anti-wetenschappelijke simpele ziel, die altijd gelijk heeft door erop te wijzen dat het tenslotte steeds om daden en toe-eigening gaat. Anderzijds is zijn oordeel over de bijbelgeleerden meestal sarcastisch scherp. Hier volgen twee voorbeelden.


Scène op het Laatste Oordeel (Pers.: Onze Heer en een professor in de theologie):

Onze Heer: "Heb jij het Rijk Gods gezocht?"

Prof.: "Neen, dat kan ik niet zeggen, maar ik weet wat "Rijk Gods zoeken" in 7 talen betekent: 1) in het deens, 2) in het duits, 3) in het frans, 4) in het grieks, .5) in het hebreeuws, 6) in het latijn. 7) in het arabisch, 8) in het syrisch, 9) in het fenicisch. Wat zei ik, ik weet er zelfs negen, dus nog twee meer dan ik meende te weten",

Hier onderbreekt hem de engel met de bazuin:"Jij knoeier"', en geeft hem een oplawaai dat hij vele miljoenen kilometers wegvliegt (X 3 A 398).


"Wij uitgekookte gauwdieven doen net of we het N.T. niet begrijpen, omdat we wel door hebben dat we dan heel anders moeten leven, Daarom hebben we de "christelijke wetenschappen uitgevonden". Nog een concordans, nog een lexicon, nog wat commentaren, nog drie vertalingen, want het is immers zo moeilijk te verstaan. Ja, merci, want, grote God, wij allemaal: kapitalisten, ambtenaren, huiseigenaren, heel de samenleving, ja, de bedelaars, we waren verkocht, - als er geen wetenschap bestond!" (X 3 A 34).


Terug naar de Schrift

Kierkegaard heeft enorm onder invloed gestaan van twee mensen die zijn lot hebben bepaald: a) zijn vader, die hem streng-gelovig opvoedde en die tot elke prijs getracht heeft het geloof in zijn zoon te redden, toen deze ontdekte dat vaders misstappen hem wellicht het geluk onmogelijk maakten met b) zijn verloofde, Regine Olsen, die hij moest prijsgeven, toen hij constateerde dat zijn bange vermoedens werkelijkheid waren. In de volgende meditatie over Gen. 22, het offer van Isaak, speelt de relatie vader en zoon, en die van zoon en verloofde, steeds tussen de regels mee. Het is dus sterk auto-biografisch, maar tegelijk een subliem voorbeeld van Schrift-verheldering. Want uitstijgend boven zijn eigen persoonlijke noodlot geven deze "variaties op één thema" (Kierkegaard heeft er 4 geschreven) tegelijk toegang tot de schrikwekkende diepte van het geloof van Abraham, zoals die in het eigenlijke verhaal beschreven staat:


"Het was nog vroeg in de morgen, Abraham stond tijdig op, liet de ezel zadelen, verliet zijn tent met Isaak en Sara keek hen na, totdat zij hen niet meer kon zien. Zwijgend reden zij drie dagen voort en ook de morgen van de vierde dag sprak Abraham nog geen woord. Hij hief zijn blik op en zag de berg Moria van verre. Hij liet de knechten achter zich en ging alleen met Isaak de berg op. Maar Abraham sprak tot zichzelf: "Ik kan toch niet verhelen waarheen deze gang hem voert". En hij bleef staan, legde zijn hand op Isaaks hoofd, hij zegende hem en Isaak boog om die zegen te ontvangen. Heel zijn gelaat was vaderlijk en mild en zijn woorden waren vermanend. Maar Isaak vermocht hem niet te verstaan, want deze hoogte was vreemd aan zijn wezen. Hij omknelde Abrahams knieën, viel hem smekend te voet en bad hem om zijn jonge leven. Toen richtte Abraham de jongen op, nam hem bij de hand en zijn woorden waren vol troost en vermaning. Maar Isaak was niet in staat het te begrijpen. Hij ging wel mee omhoog de Moria op, maar hij vermocht niets te verstaan. Een ogenblik wendde hij de blik van zijn vader af. Toen hij hem weer aankeek was plotseling Abrahams gelaat geheel veranderd. Wild was opeens zijn blik en zijn gebaren waren dreigend. Hij greep Isaak bij de borst, wierp hem op de grond en sprak: "Dom kind, geloof jij nog dat ik je vader ben? Ik ben een afgodendienaar. Geloof je dat dit een Godsgebod is? Neen, moorden is mijn lust". Toen verstarde Isaak en riep in doodsangst: "God in de hemel, erbarm U over mij. God van Abraham kom te hulp. Ik heb geen vader meer op aarde, weest Gij daarom mijn vader!". Maar Abraham dacht in zichzelf: "Heer in de hemel ik dank U. Want het is beter dat hij denkt dat ik een onmens ben, dan dat hij het geloof in U verliezen zou". Als een kind ontwend moet worden, maakt de moeder haar borsten zwart. Zo gelooft het kind dat de borst zich veranderd heeft. Maar de moeder is nog steeds dezelfde, haar blik even liefelijk als steeds. Za1ig degene die geen verschrikkelijker middelen nodig heeft om een kind te ontwennen" (III 64).


Dit verhaal gaat over jou (De te narratur fabula)

In een commentaar op de Brief van Jakobus 1: 22 e.v. over de Heilige Schrift als spiegel, zegt Kierkegaard dat de mens graag de lijst, het glas, of de muggepoepjes op het glas beschouwt, maar weer het laatste zichzelf in de spiegel ontdekt. In deze prachtige tekst geeft hij vervolgens voorbeelden van de mens die zichzelf wel in de spiegel beschouwt, en die in de Schrift ontdekt dat er over hém gesproken wordt:


"Een zeker man ging van Jeruzalem naar Jericho en viel onderweg in de handen van rovers, Als jij nu leest: "Maar er kwam een priester voorbij", zeg dan direct: "Dat ben ik". Zeg dus niet: "Dat laat niet op mij, want ik ben geen priester". Zeg ook niet: "Goeie zet van het evangelie om hier juist een priester te laten optreden, want dat is inderdaad een bedenkelijk soort". Zo kwam er ook een leviet langs, zag hem, maar ging verder. Ook hier moet je zeggen: "Kijk, dat ben ik weer". Ook komt er een "realist" langs diezelfde weg. Hij denkt: "Stel je eens voor dat de politie toevallig in de buurt is; dan ben ik nog de dader ook!" Ook hier moet je weer zeggen: "Dat ben ik met mijn misselijke pienterheid". Ook liep er een diepe denker langs de weg, verzonken in gepeins over niets. Dan moet je weer zeggen: "Dat rund ben ik, zo suffend kan ik lopen, zonder te zien dat daar iemand halfdood ligt". Tenslotte kwam er een Samaritaan voorbij, die bij de man bleef stilstaan. Als je er nou genoeg van hebt iedere keer te moeten zeggen: "Die man ben ik", dan kun je hier ter afwisseling zeggen: "Dat kan niet, dat kan ik niet wezen; zo ben ik niet". Als de parabel ten einde is en Christus tegen de Farizeeër zegt: "Ga heen en doe evenzo", dan kun je weer zeggen: "Hier gaat het over mij; nu vlot aan de slag". En geen smoesjes van: "Ik heb nog nooit een halfdode man langs de weg zien liggen", of "rovers zijn in deze streken zeldzaam". Heb je nog nooit iemand gezien die door roddel en laster overvallen is en uitgekleed en halfdood is achtergelaten?" (uit: Kierkegaard, "Tot zelfonderzoek", Ten Have, Baarn, 1974, 95pag.)


Met de Schrift naar het heden

De overweging van de Schrift vormt nog maar de helft van de "gelijktijdigheid". Op zich kan zij zelfs het gevaar met zich meebrengen dat men zich "nestelt" in het historische. Daarom ligt er in het werk van Kierkegaard evenveel klemtoon op de daadwerkelijke tegenwoordig-stelling van Christus in het heden. Zijn kwalifikatie van "bewonderaars" is daarom erg negatief. Het is duidelijk dat deze "tegenwoordigstelling" slechts in navolging werkelijkheid is. Toch hecht Kierkegaard er grote waarde aan, dat men zich, mediterende, ook voorstelt hoe Christus hier en nu zou reageren op allerlei tijdsverschijnselen, ... en deze op Hem:


"Als Christus nu in de wereld kwam, zou hij niet worden doodgeslagen. Neen, doodgelàchen, want dat is het martelaarschap in een tijd van louter verstandigheid. In tijden dat er nog gevoel en hartstocht is, slaan ze je dood" (IX A 435).


Elders, over de verhouding tussen natuurwetenschap en geloof, zegt Kierkegaard:


"Vooral door de natuurwetenschap ontstaat dat droeve verschil tussen simpel-gelovige eenvoudigen en die halfbestudeerden, die door een microscoop hebben gegluurd. Eerst moet tegenwoordig worden onderzocht of iemands herseninhoud wel groot genoeg is om in God te kunnen geloven. Mijn God, als Christus de microscoop had gekend, was Hij bij zijn apostelen onmiddellijk met een hersenonderzoek begonnen" (VII 1 A 197).


In "Oefeningen in christendom" (1850) laat Kierkegaard Christus optreden in het Kopenhagen van zijn dagen, vooral om daarmee het farizeïsme van de gevestigde orde van kerk en staat bloot te leggen. Dit soort "actualiseren" van Christus treft men tegenwoordig vaker aan: Jezus als superstar, in actiegroepen, als voorvechter tegen discriminatie, etc. Het gebeurt echter bij Kierkegaard met zoveel nuance en constant als onverbrekelijk parallel van de eerste helft van de totale meditatieve, gang van zaken (van hier en nu éérst terug naar de Schrift, zoals hierboven werd omschreven), dat de wijze waarop hij het doet, veel rijper, veel christelijker is. Dit sluit niet uit, dat hij bepaalde toestanden en mentaliteiten meestal pittig op de hak neemt. Als Jezus optreedt in Kopenhagen, rond het revolutiejaar 1848, komen de volgende opmerkingen uit de mond van de "verstandigen", allen brave zondagskerkgangers:


"En de grossier in grutterswaren bemerkte: "Neen, laat ons toch menselijk blijven en alles met mate doen. Teveel en te weinig bederft de mens maar. Daarom heb ik mijn zoon al ernstig gewaarschuwd op het rechte pad te blijven en niet achter die man aan te hollen. Want wie lopen er achter hem aan? Nietsnutters, straatschenders en landlopers. Maar nette burgers en weldenkende mensen, verstandige lieden die aanzien genieten, niet. Mensen als staatsraad Jeppesen en raadslid Marcus of de rijke Christophersen, mensen die weten wat er inde wereld te koop is, niet. En kijk eens naar de geestelijkheid; die kan de zaak toch wel beoordelen: ze bedanken ervoor. Pastor Grönvald zei gisteravond in de soos nog, dat dit alles nog eens tot een verschrikkelijk einde moet komen met die man. En Grönvald kan meer dan alleen maar preken in de kerk op zondag; je moet hem 's maandags in de soos maar eens horen! Ik wou dat ik de helft van zijn hersens had. Hij sloeg de spijker wel precies op de kop toen hij zei: "Maar kijk dan toch: allemaal leeglopers daar achter die Jezus". En de politicus zei: "Dat deze Jezus momenteel een macht is ontkent niemand. Maar je snapt niet waar hij op aanstuurt, Hij kan wel koning worden, maar er zit ook een kans in dat hij eindigt op het schavot. Strijdt hij nou voor de nationale zaak of stuurt hij aan op een communistische revolutie? Wil hij republiek of monarchie? Maar mij met hem inlaten? Neen, dat is wel het laatste wat mij in het hoofd opkomt. Ja, ik doe al meer: ik tref nu al alle mogelijke voorzorgsmaatregelen tégen hem. Niet dat ik hem bestrijd. Neen, ik hou me fijn stil: die man is levensgevaarlijk. Daarom is hij het beste te grijpen door niets te ondernemen. Dat hij ten val gebracht moet worden staat vast. Maar dan het liefst door zichzelf; hij struikelt wel over zijn eigen benen. Je moet hem bestrijden door niets te doen: op die manier roept hij vanzelf de meest heilloze gevolgen af over zichzelf" (XII 48, uit: Kierkegaard, Dagboeknotities, Ten Have, 1974, 2e dr.).


Eerst in het totaal van deze twee beschouwingswijzen samen, komt de mens klaar met zijn "grootste vijand", de tijd. Eerst zo redt hij zich uit de "versnippering" of uit de verkalking door de zaligverklaring van het voorbije. Dit is het wezen van het christelijk heil: dat de "volheid der tijden", Christus zelf, in elke generatie opnieuw door navolging gestalte krijgt:


"Christus is het keerpunt der geschiedenis: het christendom is de godsdienst van het toekomstige. Het heidendom is steeds godsdienst van het tegenwoordige of van het verleden (in vormen van voorafgaand bestaan). Het jodendom was, ondanks zijn profetisch karakter, toch nog weer te actualistisch. Eerst door Christus is de toekomst-in-tegenwoordige- gestalte werkelijkheid geworden" (VIII 1 A 305)