Gebeden van Kierkegaard


Tijdschrift voor Geestelijk Leven 27: 409-420, 1971


S. Scholtens, o.carm.


Biografische samenhang

Ieder mens kan slechts op zijn eigen wijze bidden. Dit betekent dat gebeden die op schrift zijn gesteld niet zelden sterk subjectief gekleurd zijn. Zulks is ook het geval bij de jonge Kierkegaard; toon en inhoud van zijn gebeden transfigureren zich echter al spoedig tot die algemeen-menselijke helderheid die het kenmerk van het gebed aller groten is.


Kierkegaard, die na een strenge opvoeding als jong student aan lager wal was geraakt om zich vervolgens na een tragisch verbroken verloving totaal in het avontuur met God te storten, is daarvan een duidelijk voorbeeld. Indirect zijn het zijn vader en zijn verloofde geweest die hem gebroken en gemaakt hebben. De trieste realiteit achter het geheim van zijn drama begint voor zijn biografen de laatste tijd steeds duidelijker te worden: zijn vader, met een geslachtsziekte besmet en aldus verantwoordelijk voor de trekken van krankzinnigheid en de vroege dood van enkele zijner kinderen, heeft kort voor zijn dood dit 'allesverklarende feit' aan zijn zoon Sören opgebiecht, een feit dat Sören dwong om zijn verloving te verbreken, nadat hij reeds enkele jaren met bange vermoedens in deze richting had rondgelopen:


"Zo moest ik een terugtocht beginnen door verwoeste landen en geteisterde provincies, overal omgeven door de gruwelen der verwoesting, door platgebrande steden en langs smeulende ruïnes van ijdel gebleken verwachtingen (...). De verhouding tussen een vader en zoon waarin de zoon heimelijk alles ontdekt wat hij eigenlijk niet mocht weten. Maar één keer, in benevelde toestand, laat hij een paar woorden vallen die het verschrikkelijkste doen vermoeden (...). Als ik dat alles had moeten verklaren, had ik haar moeten inwijden in de verschrikkelijkste dingen" (V A 108, IV A 107).


Verpletterd door deze "aardbeving" en de vloek op zijn familie, zag hij voor zichzelf geen andere bestemming meer dan boete te doen en in geloof te aanvaarden dat hij voor anderen geofferd moest worden:


"Zoals bij een zending haring de bovenste laag platgedrukt en gekwetst is en in een kist met fruit het bovenste gekneusd en platgedrukt overkomt, zo zijn er ook in elke generatie enkele mensen die boven liggen en die door de verpakking worden verbrijzeld om de rest, die meer naar binnen ligt, te beschermen" (VI A 110).


Zo bleef hem als enige activiteit, om te beginnen, slechts aangegeven "wat men altijd aan vrouwen en kinderen overlaat, t.w. bidden" (III A 148). Begrijpelijk is dan de ondertoon van wanhoop en, met voornoemde ziekte in het geheugen, zelfs ook de toespeling op de melaatsen in het volgende gebed:


"0 Heilige Geest, ook Gij, met een onuitsprekelijke zucht, bid voor mij zoals Abraham voor het verdorven Sodom heeft gebeden, als er in mij tenminste nog één zuivere gedachte, één nobel gevoel aanwezig is, - dat de tijd van beproeving voor de onvruchtbare vijgeboom mag worden verlengd. 0 Heilige Geest, die het gestorvene weer doet herboren worden, die het verouderde verjongt, vernieuw ook mij en schep een nieuw hart in mij, Gij die met moederzorg alles omgeeft wat nog een schijntje van leven bewaart, bewaar ook mij steeds vaster verbonden aan Hem, mijn Heiland en Verlosser, opdat ik niet, - eenmaal genezen -, als die negen melaatsen vergeten zal, maar zoals die ene zal terugkomen tot Hem die mij het leven geschonken heeft en in wie alle zaligheid gevonden wordt; heilig mijn doen en mijn denken zodat iedereen kan zien dat ik nu en voor alle eeuwen aan Hem toebehoor" (II A 538).


Weggerangeerd uit de mogelijkheid van algemeen-menselijklevensgeluk, resteert hem maar één alternatief: zichzelf geheel te leren vinden in de geborgenheid van God. Zo bidt hij, in diezelfde tijd, eind oktober 1838:


"Vader in de hemel, tot U richt zich onze gedachte, U zoeken wij steeds opnieuw, niet met de wankele stap van een verloren zwerver, maar met de zekere vlucht van een duif op weg naar huis. Laat ons vertrouwen op U geen vluchtige gedachte zijn, niet de inval van een ogenblik, noch de teleurstellende geruststelling van ons aardse hart.

Heer Jezus Christus, die op aarde gekomen bent om te redden wat verloren was, die negenennegentig schapen verlaten hebt om dat ene verloren schaap weer te zoeken, zoek ook mij weer op van de dwaalwegen van mijn ontsporingen, waar ik mij voor U en voor de mensen verberg. Gij goede herder, laat mij uw milde stem vernemen, laat mij die kennen en volgen" (II A 285, 538).


Christendom als humaniteit

Kierkegaard zag het als zijn taak om het christendom te redden uit twee ziekelijke extremen die alle twee even ver van de volheid van menselijk existeren waren afgedreven: enerzijds de sentimentaliteit van het romantisch naamchristendom en anderzijds het rationalisme der studeerkamer-theologie, dat door de schaalvergroting der communicatiemiddelen die Kierkegaard al signaleert en nog meer voorziet, ook het gewone volk reeds infecteerde. Om deze gevaren te bestrijden zet hij heel zijn persoonlijkheid in, niet alleen terwille van de Openbaring, maar evenzeer, - ja allereerst -, terwille van volwaardige humaniteit, die hemzelf door zijn tragisch levenslot niet als mogelijkheid was weggelegd:


"Daarom besloot ik zover als maar mogelijk was terug te gaan en vooral niet te vroeg het religieus existerenaan te snijden (om over christelijk-religieus existeren nog maar te zwijgen). Want als men vergeten heeft religieus te existeren, heeft men ook vergeten wat menselijk existeren betekent. Het eerste wat ik wilde doen om van de grond af te beginnen, was dat ik de humane bestaansverhoudingen opnieuw wilde laten ontstaan inde existerende individualiteit, tussen de sfeer van het esthetische en het ethische..."


Het is op dit punt, dat van ieders unieke eigen-aardigheid, dat Kierkegaard menselijkheid én religiositeit gelijkelijk verwortelt. De moderne mens zit volgens hem met God en gebed in de knoop omdat hij van zichzelf vervreemd is door de massale anonimiteit der hedendaagse samenleving. Dit besefte Kierkegaard reeds in een voor ons haast onvoorstelbare mate in 1846:


"De Voorzienigheid heeft ieder mens een eigenheid geschonken en de betekenis van het leven bestaat precies daarin, dat deze eigenheid optimaal ontwikkeld wordt, versterkt en gerijpt in de botsingen met de wereld. Maar de hedendaagse "culturele" vorming demoraliseert alles en is er in alles op uit om de mens het kunststuk te leren geen enkel eigen gevoel te hebben, geen woord te spreken, geen daad te stellen, zonder tevoren de garantie te hebben dat alle anderen het ook zo doen (...). Maar in diepste zin is zo iemand een gedemoraliseerd onmens, een misbaksel, omdat hij heeft opgehoudeneen schepping Gods te zijn, en slechts schepsel is dat het sóórt 'mens' tot schepper heeft ..." (XI 2 A177).


Maar nu is het precies het bidden, uitgroeiend tot 's mensen tweede natuur, waarin die verworteling van mens in God, de synthese tussen mijn wil en Gods Wil, zich voltrekt en ter sprake wordt gebracht. Eerst in het gebed klaart voor de mens de troebelheid van het onbegrepen-toevallige ik op tot die zinvolle beleving van mijn unieke roeping in het totaal van het mens-zijn. Dit is het geloof in de Voorzienigheid en aldus leeft iemand die waarlijk mens, d.i. religieus, is, in het onophoudelijk besef van geborgenheid in Gods heilswil. Zo verwerft de mens bij alle tegenslag en voorspoed in het leven een "onschokbare binnenkant":


"Het archimedisch punt binnen de wereld is een bidkamer waar de ware bidder in alle oprechtheid bidt, -en zo zal hij de aarde in beweging zetten. Ja als er zo'n mens van gebed zou bestaan en de deur achter zich zou sluiten, is niet te geloven waartoe hij in staat is" (IX A 115).


Geleidelijk aan wordt zo'n mens, die zijn kracht in inwendigheid zoekt, bevrijd uit de angst en verankerd in God, een groeiproces waaraan het verschijnsel 'religie' haar naam ontleent:


"Heer onze God, Gij kent onze zorgen beter dan wij diezelf kennen. Gij weet hoe gemakkelijk een angstig gemoed zich verwikkelt in nodeloze en zelfgemaakte zorgen.Wij bidden U om inzicht zodat wij die overbodigheid en trots kunnen doorzien. Geef ons de moed om die drukke en zelfgemaakte zorgen te leren verachten, maar leer ons dat wij de lasten die Gij ons zelf oplegt in nederigheid uit uw hand zullen ontvangen en geef ons de kracht ze te dragen. Bevrijd ons van de inbeelding dat zorgen verdienstelijker zouden zijn dan blijdschap" (III A 32).


Zelfs wanneer de gevoelige ervaring van deze geborgenheid wijkt, staat de mens onschokbaar gefundeerd in dit geloof, dat ook een beproeving, een afsterven van al te gemakkelijke zekerheid kan zijn. Prachtig drukt Kierkegaard deze "donkere" zekerheid uit in het volgende gebed:

"Vader in de hemel, op vele wijzen spreekt U tot een mens, U aan wie wijsheid en verstand als Enige toebehoren, U wilt U toch voor de mens verstaanbaar maken. Ach, ook als U zwijgt spreekt U toch met hem. Want ook hij die zwijgt spreekt, spreekt om iemand de les te overhoren; ook diegene spreekt, die zwijgt om de geliefde op de proef te stellen; ook diegene spreekt, die zwijgt opdat het uur van begrip des te innerlijker zal zijn als hij komt. Vader in de hemel, is het niet zo gesteld? 0, in die tijd van zwijgen, als de mens eenzaam en verlaten is, als hij uw stem niet hoort, dan kan hij de indruk hebben dat die scheiding eeuwig duren zal. 0, in die tijd van stilte, als een mens versmacht in de woestijn omdat hij uw stem niet hoort, dan kan hij menen dat uw stem voor immer zwijgen zal. Maar, Vader in de hemel, toch is dat slechts een ogenblik van de intimiteit der samenspraak. Laat dus uw zwijgen evenzeer gezegend zijn als elk woord dat U richt tot de mens. En laat de mens nimmer vergeten dat U spreekt als U zwijgt. Schenk hem de vertroosting als hij naar U streeft om te weten dat het óók uit liefde is dat U zwijgt, zoals U spreekt uit liefde, zodat U altijd dezelfde Vader bent, dezelfde vaderzorg, of U ons nu de weg wijst door te spreken, of dat U ons opvoedt door U in zwijgen te hullen" (VII 1A 131)


In een overweging op Hemelvaart vat Kierkegaard het wezenlijke van zijn inzicht aangaande de leerschool tot volwassen christendom op kinderlijke wijze samen in het volgende beeld:

"Als men een kind oefent in het lopen, gaat men heimelijk een stukje vooruit en dan keert men zich om naar het kind. Nooit loopt men naast het kind, maar men maakt zichzelf tot doel van het kind: daar moet het kind op eigen beentjes naar toe. Zo gaat Christus ons in zijn Hemelvaart een eindje vooruit. Hij loopt niet naast zijn leerlingen, maar maakt zichzelf tot doel waarheen de gelovige moet streven, terwijl zij leren op eigen benen te staan. Zo staat de Heer daar als doel en wendt zich tot de gelovigen, breidt zijn armen uit als een moeder. En ook al staat de moeder ver weg, zodat zij het kind niet aan kan raken, toch breidt zij haar armen uit als hield zij voortdurend het kind vast, hoewel er een grote afstand tussen hen is: op déze wijze toont een moeder toch haar zorgzaamheid. Als zij het méér zoudoen, zou het kind nooit leren lopen" (V B 237).


Humaniteit als christendom

Eerst na zijn verbijsterend scherpzinnige verkenning van alle aspecten van menselijkheid, ,,een schrijverswerkzaamheid waarvan elk onderdeel iedere tijdgenoot kan wegconcurreren", richt Kierkegaard zijn aandacht op het specifiek-christelijke. Het is in kort bestek niet doenlijk van de groeifasen van het christelijke een beeld te tekenen. In zijn sublieme werk ,,Oefenschool voor christendom" (1850), dat heden nog even onbekend is als onze hedendaagse armoe aan spiritualiteit groot genoemd mag worden, komt in het derde deel een reeks gebeden voor. Het thema van dit deel wordt uitgedrukt door de tekst: ,,Wanneer Ik zal worden opgeheven van de aarde, zal Ik allen tot Mij trekken" (Joh. 12, 32). Het totaal dezer zeven meditaties tekent, stap voor stap, de evolutie van christendom als vrijwillige aanvaarding van het lijden: de hoogste idealiteit.


1) De eerste meditatie overweegt het hogere in de mens waardoorhij verheven is boven alle fataliteit en zinloosheid, althans wanneer hij gelooft. De tekst van het inleidend gebed luidt:


"Heer Jezus Christus, er is zoveel dat ons terughoudt: lege zaken, onbetekenende vreugden, waardeloze bekommernissen. Er is zoveel dat ons tracht terug te schrikken: de trots die te laf is om zich te laten helpen, de laffe vrees die zich tot eigen verderf terugtrekt, de angst voor de zonde die vlucht voor de zuiverheid van het heilige, zoals de zieke het geneesmiddel ontloopt. Toch bent U de sterkste: trek ons dus des te sterker tot U. Wij noemen U Heiland en Verlosser en U bent op aarde gekomen om ons van alle banden te verlossen waaraan wij geketend liggen en waaraan wij onszelf hebben vastgelegd. U bent gekomen om de verlosten zalig te maken. Dat is het werk geweest dat U volbracht hebt en tot het einde der tijden zal volbrengen. Want U zult handelen zoals U zelf gezegd hebt: verhoogd van de aarde zult U allen tot U trekken" (XII 141).


2) De tweede meditatie overweegt in Christus de paradoxale eenheid van zijn aantrekkelijkheid en zijn vernedering. Het is nl. de bedoeling van Kierkegaard om tegen de eenzijdigheid van genade-misbruik (Christus als Verlosser), de eis tot navolging wederom nadrukkelijk te stellen (Christus als Voorbeeld).


"Heer Jezus Christus, ons eigen dwaze gemoed is zwak en laat zich licht misleiden en er is zoveel dat ons aantrekt: zo is er de vervoerende macht van de lust, het veelvuldige met zijn verwarrende verstrooiing, het moment met zijn bedrieglijke gewichtigheid, de drift van de ijdele drukte, het lichtzinnig tijdverknoeien, en het zwaarmoedig piekeren van de melancholie. Dit alles wil ons tot zich trekken, weg van onszelf om ons te bedriegen. Maar U die waarheid bent, U alleen, U kunt in waarheid een mens tot U trekken, zoals U dat trouwens beloofd hebt: dat U allen tot U wilt trekken. Geve God dan, dat wij, na tot inkeer gebracht te zijn, zo tot onszelf mogen komen, dat U volgens uw woord ons tot U trekken kunt, van de hoogte uit, maar weliswaar dwars door de geringheid en de vernedering" (XII 147).


3) Vervolgens schroeft hij, zeer fijnzinnig, de eis tot navolging van de vernederde Christus geleidelijk aan. Hij gaat uitvoerig in op de vraag in hoeverre zelfs een kind door het

beeld van de gekruisigde Heer beïnvloed wordt. Het gebed luidt:


"Heer Jezus Christus, van heel verschillende aard is het vele waartoe een mens getrokken kan worden. Maar er is één ding waartoe geen mens zich van nature getrokken voelt: tot lijden en vernedering. Wij mensen denken dat uit de weg te mogen gaan zolang we maar kunnen, Daartoe moeten wij telkens opnieuw gedwongen worden. Maar U, onze Heiland en Verlosser, de Vernederde, U wilt toch niemand dwingen en nog het minst tot datgene wat 's mensen hoogste eer is en blijven moet: nl, dat wij op U mogen gelijken. O moge toch het beeld van uw vernedering zo levendig voor ons staan, zo stichtelijk en overtuigend, dat wij ons tot U in uw vernedering getrokken mogen voelen, verlokt om U in uw geringheid te gelijken, U die van de hoogte uit allen tot U trekken wilt" (XII 156)


4) In de vierde overweging is het onderwerp de categorie der beproeving. In vervolg op het catechetisch punt van de derde, gaat hij hier uitvoerig in op de genese van christelijke idealiteit in jeugdige personen. Ook deze meditatie begint weer met een gebed:


"Heer Jezus Christus, U bent nog niet gekomen om te oordelen, maar toch zult U daartoe eens verschijnen. Dit is het oordeel waarmee wij gevonnist worden: uw eigen leven op aarde. 0, dat ieder die zich christen noemt zich toetse aan dat oordeel: of hij U alleen bemint in uw vernedering of alleen in uw verheerlijking, d.w.z, of hij U in alle omstandigheden wel heeft bemind. Want als hij U slechts in één van deze twee heeft liefgehad, dan heeft hij U immers niet bemind. Wanneer hij U echter bemint, dan zal hij immers vernederd worden omdat hij U ook in uw vernedering bemint. Maar niet zoals het aards gemoed op wereldse wegen de vernedering aanvaardt; in die zin hebt ook U hier op aarde immers de vernedering niet ondervonden. Neen, hoewel hij vernederd is zal degene die U liefheeft worden uitgetild boven de vernedering, met zijn gemoed en oog naar boven gericht, naar de verhevenheid die U bent binnengegaan en die hij verwacht bij U, die van de hoogte uit allen tot U trekken wilt" (XII 168).


5) Alleen hij die het lijden vrijwillig aanvaardt is waarlijk christen. De kerk moet niet te vroeg willen triomferen. Haast een verwijtende toon klinkt daarom uit dit gebed:


"Heer Jezus Christus, het mag dan wel van de hoogte zijn dat U een mens tot U trekt en tot overwinning dat U hem roept, maar dit wil precies zeggen dat U hem roept tot strijd. Bewaar onze ziel voor alle verwarring, ook voor deze dat wij ons inbeelden tot een kerk te behoren die op aarde al triomferen zou. Uw rijk is immers nooit van deze wereld geweest en de plaats van uw kerk is niet hier; wel inzoverre zij strijden wil en door die strijd een plaats wil verwerven om te bestaan. Als zij strijden wil zal niets in de wereld haar verdringen: dat hebt U haar toegezegd. Maar als de kerk zich inbeeldt hier op aarde te zegevieren, ach dan is het haar eigen schuld dat U haar niet langer bijstaat en dat zij ten onder zou gaan aan die gelijkheid met de wereld. Blijf dus bij uw strijdende kerk, opdat het nimmer gebeure,- en alleen zo zou het kunnen gebeuren -, dat zij van de aarde wordt weggevaagd als zij een triomferende kerk op aarde wil worden" (XII 185).

6) De zesde meditatie veroordeelt op strenge toon die verhouding tot Christus welke uitsluitend in de aanbidding van de Verheerlijkte Heer bestaat, zonder even sterk de eis tot navolging van de vernederde Jezus te stellen:


"Heer Jezus Christus, U bent niet op de wereld gekomen om U te laten dienen en ook niet om U te laten bewonderen of U in deze bewonderende zin te laten aanbidden. Zelf bent U de weg en het leven geweest en U hebt alleen navolgers gewenst. Wek ons dan op als wij door deze verdwazing zijn ingesluimerd en red ons uit deze dwaling dat wij U alleen zouden bewonderen in plaats van U na te willen volgen, op U te willen gelijken" (XII 213)


7) De zevende meditatie is een even milde als sublieme samenvatting aller vorige gedachten in een langer gebed dat behoort tot het schoonste wat in de spiritualiteit van de laatste eeuwen ooit geschreven is. Het is als een fuga, waarin hij die ene tekst (Joh. 12: 32) in variaties toepast op allerlei concrete categorieën van mensen:


"Heer Jezus Christus, wij willen U smeken om ons geheel tot U te trekken. Trek ons al moge ons leven ook onopvallend vervlieten in een huisje aan een stil meer, al worden wij in de stormen van het leven beproefd op de wilde golven van de zee, al moge ons leven in stilte een vernedering zijn, waarin wij juist onze eer moeten zoeken (1 Thes. 4:17), of een leven in strijd, - trek ons en trek ons geheel tot U. Wanneer U ons maar trekt is alles gewonnen, ook als wij menselijk gesproken niets gewonnen of verloren hebben, ook als wij menselijk gesproken alles hebben verloren. Want in álle gevallen zijt Gij de waarheid van ons leven. Immers U trekt niemand weg uit het onwaardig ontlopen van elk gevaar en evenmin uit het al te vermetele waagstuk. Wij bidden U voor allen, voor het tere kind, dat de ouders tot U brengen opdat U het tot U zal trekken. En wanneer later de ouders het kind zo behandelen dat het tot U wordt gevoerd, dan bidden wij dat U hun handelen zult zegenen. En mochten zij het kind op verstorende wijze behandelen, dan smeken wij U om dit te verhinderen, ja opdat dit zelfs ertoe moge dienen om tot U getrokken te worden: o U, die zich "de weg" genoemd hebt, precies daarom hebt U meer wegen als er sterren aan de hemel staan. Overal bent U de weg die leidt tot de wegen.

Wij bidden voor hen die het verbond met U vernieuwen dat wij allen met U hebben gesloten, en vaak vernieuwd, maar ook vaak gebroken hebben, hoewel niet allen. Want wij bidden vooral voor hen die in een andere zin als het kind weer aan het begin van hun leven staan als zij hun doopbeloften vernieuwen. Wij bidden U, trek hen tot U.

Wij bidden U voor hen die ondervinden wat op deze aarde het schoonste is, voor hen die elkaar in liefde hebben gevonden. Wij bidden voor hen die beminnen dat zij elkaar niet meer beloven dan wat zij kunnen volbrengen; en ook al kunnen zij dit volbrengen bidden wij U, dat zij elkaar niet teveel in de liefde mogen beloven opdat hun liefde hun niet tot hindernis worde, zodat U hen niet tot U kan trekken. Moge hun liefde daartoe juist een hulp zijn.

Wij bidden U voor de man, dat zijn belangrijke arbeid, indien het tenminste zo in het leven gesteld is, of zijn vlijtige arbeid, zijn moeizaam zwoegen, niet moge veroorzaken dat hij U vergeet. Maar moge hij in zijn werk, zijn bezigheid, zijn arbeid, zich meer en meer tot U getrokken voelen.

Wij bidden U voor de vrouw, die meer in het stille leven haar bestemming vindt, verwijderd van het lawaai en de verstrooiing van de wereld. Dat zij bij haar liefdevolle arbeid in huis in de diepste zin van het woord haar ingekeerdheid moge bewaren en zich meer en meer tot U getrokken voelen.

Wij bidden U voor de ouden van dagen, dat de gedachte aan U die hen tot U trekt nu de tijd van werken voorbij is, geheel hun ziel moge vervullen. Wij bidden U voor de grijsaard op de rand van het graf, dat U hem tot U moge trekken. Wij bidden voor allen die op dit ogenblik het daglicht begroeten, dat U de zin van hun leven moge worden; dat het de zin van hun leven worde tot U getrokken te zijn. Wij bidden voor de stervenden, voor hen die velen, ja velen nog niet willen zien heen gaan en ach, die toch weer door niets en niemand worden gesteund. Wij bidden U dat het de zin van hun leven geweest moge zijn door U getrokken te worden. Wij bidden U voor hen die in blijdschap leven en vervuld van geluk; voor hem die van vreugde nauwelijks weet waar hij gaat: dat U hen trekken zult en hen zult leren om naar U te gaan. Wij bidden voor hem die lijdt, die niet weet waar hij het met zijn ellende zoeken moet: dat U hem trekken zult, opdat beiden, de gelukkige en de lijdende, - hoe verschillend hun lot ook is -, in U verenigd mogen worden, opdat hun lot hun tot geen ander leide dan tot U.

Wij bidden U voor hem die bekering nodig heeft, dat U hem zult trekken van de weg van het verderf naar de waarheid.

Wij bidden U voor hem die zich eenmaal tot U, de gevonden weg, bekeerd heeft, dat hij voortgang moge maken op die weg, getrokken door U. En omdat de waarheid de weg is, en er immers drie wijzen van verdwalen zijn: zich te vergissen in de weg, te struikelen of af te dwalen, - daarom smeken wij U: dat U degenen die zich vergissen op de juiste weg wilt brengen, hen die struikelen sterkt op hun weg en hen die zich verlopen terugvoert tot de weg.

Zo bidden wij dus voor allen, want wie vermag hier elke enkeling apart te noemen, ja wie is in staat om alle verscheidenheid op te sommen? Eén verschil willen wij echter noemen: wij bidden U voor hen die de dienaars van het Woord zijn, wier taak het is, - voorzover een mens dit vermag -, om mensen tot U te trekken. Wij bidden U dat U hun werk zult zegenen, maar tegelijk dat zij zelf in dit werk tot U getrokken mogen worden, opdat zij niet in de ijver om anderen tot U te voeren, zelf ver van U verwijderd blijven.

En wij bidden U voor de christenen in het algemeen, dat zij, eenmaal zelf tot U getrokken, toch niet zo klein van zichzelf mogen denken, als ware het niet ook aan hen gegeven om anderen tot U te trekken, voorzover een mens dit weer vermag. Ja, voorzover een mens dit vermag, want U alleen bent toch degene die tot U kan trekken, ook al bent U in staat om alles en ieder te gebruiken om allen tot U te trekken" (XII 237 v.)


1 De teksten werden vertaald uit: S. Kierkegaards Papirer, uitgegevendoor P.A. Heiberg, V. Kuhr en E. Torsting, Kopenhagen 1909-1920. Dit werk omvat 22 banden, verdeeld over elf afdelingen: de citaten hieruit bevatten steeds een letter A, B of C. Ontbreken deze letters dan is het citaat uit de Werken, t.w. : S. Kierkegaards SamledeVaerker, uitgegeven door A.B. Drachmann, J.L. Heiberg en H.O. Lange, Kopenhagen 1901 - 1909 (eerste editie).